Samenleving

De steen van het volk

In Dordrecht filmt Pieter Rambags, op TikTok bekend als @Pete_Guitar, zichzelf bij de Stolpersteine in de stad. Kleine messing steentjes in de stoep, met een naam, een geboortedatum en een plaats. Ooit, zegt hij, vond hij dit een sympathiek gebaar om de Jodenvervolging te herdenken. Nu niet meer. Nu hebben deze stenen voor hem “een nare nasmaak”.

Want, zo vervolgt hij, elke keer dat hij ze ziet realiseert hij zich dat “een slachtoffer zelf tot dader kan worden”. En dan valt de zin die alles verschuift: “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Die zin doet iets wat de steen zelf niet doet. De steen noemt een naam, de zin noemt een volk.

Ik maakte jaren geleden een foto van vier Stolpersteine in Amsterdam, op de hoek van de Willemsparkweg en de Alexander Boersstraat, in het Museumkwartier. Querido, stond er vier keer. Jacob. Klara. Rebecca. Duifje. Jacob, de naamgenoot van mijn opa, vermoord in 1943. De drie anderen, ondergedoken op verschillende locaties, met overleefd op het steentje.

Ik groeide om de hoek op, in de Jacob Obrechtstraat. Als klein meisje in de jaren ’70 woonde ik bij mijn opa en oma. Die straten waren toen gewoon straten, waar je buiten speelde met je fiets – die niet op slot moest als je met het touwtje uit de brievenbus even naar binnen ging. Melkboer op de hoek, de tram die rinkelde, brede trottoirs waar je speelde met krijt zonder klagende buren. Pas veel later begreep ik hoeveel namen er ontbraken.

In 2023 liep ik opnieuw door deze buurt, dit keer met mijn jongste zoon. We liepen langs de Obrechtsjoel, langs de Obrechtkerk waar mijn opa schuin tegenover zijn bloemenkraam had. We lunchten bij Van Dam en gniffelden om wat we thuis in Noordwijk stiekem hockeyloedermoeders noemden, import met een bakfiets. Ik vertelde over mijn vriendje aan de overkant dat op schermen zat, over verkleedpartijen in witte pakken en maskers, over spelen in het Vondelpark en het Rembrandtpark en verplichte danslessen bij Dansschool Oostveen aan de Overtoom.

Onderweg naar de oude Jodenbuurt kwamen we de Stolpersteine van de familie Querido tegen, en nog meer kleine steentjes op andere plekken in de stad. Ik vertelde over onderduiken, over Auschwitz en mijn familie, over hoe mensen soms uit hun eigen straat verdwijnen en alleen nog een naam achterlaten. En soms, zoals bij mijn andere oma, zelfs hun naam in hun land van herkomst moeten achterlaten om te kunnen vluchten.

We stopten bij de steentjes en lazen wat er stond. Hij was negentien, ik hoefde niets uit te leggen. De woorden spraken voor zich, een drama op een steentje van tien bij tien centimeter.

Later die middag zochten we de namen opnieuw op bij het Nationaal Holocaust Namenmonument, naast het Joods Museum. Rijen bakstenen, duizenden namen. Querido verscheen opnieuw, meerdere keren. Met leeftijden erachter. 80 jaar. 13 jaar. 17 jaar.

Misschien is dat de kern van wat herdenken probeert te doen. Niet het leed op grote schaal vangen, maar een naam blijven uitspreken.

Misschien is dat ook waarom die video uit Dordrecht zo schuurt. Omdat hij precies het omgekeerde doet.

Waar de steen een naam noemt, noemt de man een volk. Waar het steentje niets anders doet dan registreren wie ergens woonde, maakt Rambags van diezelfde geschiedenis een morele categorie.

Elke keer als ik deze stenen zie, kijk ik weg. Want zij vertegenwoordigen voor mij het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien. Namelijk een volk dat is verworden tot een genocidale soort.

Hij heeft het niet over een kabinet. Niet over een premier. Niet over een militaire operatie of een juridische kwalificatie. Hij heeft het over “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Dat woord, soort, blijft hangen. Het is geen politieke of juridische term. Het is een woord dat over mensen gaat.

Dat is iets anders dan terechte kritiek op beleid of oorlog.

Wie het handelen van een staat vertaalt naar de aard van een volk, maakt van afkomst een verwijt. Dan verdwijnen namen. Dan blijft er geen Jacob of Klara of Duifje meer over, maar een groep mensen die moet opdraaien voor wat een regering doet, in een land waar ze nooit zijn geweest.

Het is een verleiding van deze tijd. Sociale media met snelle meningen, conflicten die groot, groter, grootst moeten zijn om te scoren. Honderdduizenden worden in één adem miljoenen. Dan volgen de woorden als genocide, apartheid, zuivering. Uitgesproken met een gemak alsof het bijvoeglijke naamwoorden zijn. Zware woorden, ingezet als morele knuppels.

Maar wat er in Dordrecht gebeurt, is geen juridisch debat. Het is een generalisatie waarin een volk als volk wordt veroordeeld. Dat heeft een naam: antisemitisme.

In dezelfde adem waarin wordt verwezen naar de Holocaust, wordt die ook gerelativeerd, alsof leed met elkaar moet concurreren. In het filmpje zegt hij dat de struikelsteentjes voor hem “het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien” vertegenwoordigen. Niet het nazisme, de vernietigingskampen, de onmenselijke wreedheden. Maar een volk dat volgens hem is “verworden tot een genocidale soort”. Vervolgens volgen de aantallen. Honderdduizenden. Miljoenen. En dan die zin: “En daarmee verschaalt hun Holocaust.”

De herinnering aan de Holocaust wordt ingezet om het verleden te herschrijven, zodat het heden kan worden veroordeeld. In dat herschikken wordt de Holocaust een argument in plaats van een geschiedenis. Dat is niet herdenken, dat is misbruiken.

Herdenken, écht herdenken, werkt anders. Het zoekt geen ranglijst van ellende. Het begint klein. Bij een naam die wordt uitgesproken, niet bij een morele wedstrijd.

Op het Jonas Daniël Meijerplein wordt ieder jaar de Februaristaking herdacht. Een concrete daad van verzet tegen razzia’s in eigen straten, tegen buren die werden weggevoerd. Georganiseerd door de toen illegale CPN, het enige massale en openlijke protest in bezet Amsterdam tegen de Jodenvervolging.

Twee dagen lag de stad stil. Trams reden niet, fabrieken draaiden niet, werk werd neergelegd omdat mensen weigerden te doen alsof er niets gebeurde. Daarna werd de staking door de Duitsers met geweld gebroken. Er vielen doden, er volgden arrestaties, mensen raakten hun baan kwijt en kwamen in armoede terecht. En terwijl de bezetter de orde herstelde, werd ook vanuit het Amsterdamse gemeentebestuur aangedrongen op hervatting van het werk. De stad moest weer functioneren. Het werk ging voor.

Dit jaar waren er tijdens de herdenking ook andere symbolen zichtbaar. Een vlag van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, een organisatie die op de EU-terreurlijst staat. Spandoeken tegen de bezetting, geknielde demonstranten met blinddoeken, soms onder het toeziend oog of toegejuicht door docenten die meer tijd en energie in actievoeren stoppen dan in hun collegereeksen.

Dat spanningsveld beperkt zich niet tot het plein zelf. In het debat rond de Gaza-demonstraties wordt inmiddels ook gekeken naar de netwerken achter de mobilisatie. Zo wees Carel Brendel recent op de rol van onder meer PGNL en AGD als terugkerende organisatoren van straatprotesten en verbond hij die aan bredere pro-Hamas-structuren in Europa. Die analyse kan worden betwist of onderschreven, maar zij laat zien hoe snel herdenken, demonstreren en geopolitieke netwerken in één frame terechtkomen.

Herdenkingen gaan met de tijd mee. Ze worden telkens opnieuw geïnterpreteerd en het is niet vreemd dat het heden zich mengt met het verleden. Dat gebeurde altijd al. Maar er is een verschil tussen meegaan met de tijd en het kapen van herdenken voor een eigen agenda.

Wanneer tijdens een herdenking van Jodenvervolging een volk als genocidaal wordt bestempeld, verandert er iets wezenlijks. Dan wordt herinnering geen waarschuwing meer, maar munitie.

De stap van staat naar volk is klein in taal, maar groot in betekenis. Populisten weten dat al jaren, activisten nu ook.

Israël is een staat. Met verkiezingen, interne verdeeldheid, demonstraties, rechters, dienstplichtigen die niet of juist heel graag willen dienen, en burgers die het oneens zijn met hun regering of er juist vol overtuiging achter staan. Joden vormen een volk, verspreid over landen, met uiteenlopende overtuigingen, religieuze en seculiere tradities, politieke posities die elkaar soms fel bestrijden.

Wanneer het handelen van de één wordt vertaald naar de schuld van de ander, ontstaat er een glijdende schaal. Niet luid, niet met hakenkruizen, maar met zinnen en en filmpjes van mensen die zichzelf rechtvaardig noemen.

Het antisemitisme van deze tijd komt zelden met openlijke haat. Het verschijnt als morele omkering of wordt verscholen achter de term zionisme. Niet de Jood als minderwaardig, maar de Jood als moreel tekortschietend. Niet het individu, maar het collectief.

Het zegt: kijk, zij doen nu wat zij ooit hebben ondergaan.

Terug naar die middag in Amsterdam. Naar de stenen, museum en het monument. Naar Querido, meerdere keren, met leeftijden erachter. Er is een oud Joods gezegde: je bent pas dood als je naam niet meer genoemd wordt.

Misschien is dat wat er op het spel staat wanneer namen weer volk worden en volk weer soort. Dat we ophouden met het noemen van namen en het zien van mensen en beginnen met het plakken van een label.

De steen verandert niet als iemand hem filmt en een volk veroordeelt. De baksteen in het Namenmonument blijft dezelfde naam dragen, ongeacht welke vlag er op een plein wappert.

Maar taal verandert wel.

En taal is zelden onschuldig wanneer zij van een naam een collectieve schuld maakt. En precies in die verschuiving vindt antisemitisme telkens een nieuwe vorm.

De steen van het volk | bronnen

Video geplaatst door Pieter Rambags

Samenleving

Sahtein – eet smakelijk

De menukaart als morele meetlat

In een restaurant net buiten Jeruzalem stonden de tafels dicht op elkaar. Hummus ging van hand tot hand in schalen die al duizenden keren waren gevuld, de kubbeh dampte, glazen tikten zacht tegen elkaar. Aan de tafels zaten mensen die elkaar buiten misschien zouden ontwijken, maar hier het brood braken en bleven zitten voor een tweede ronde. Ze kwamen voor het eten en voor de gesprekken die daaruit ontstonden, niet om elkaar te overtuigen, maar om elkaar te leren kennen.

Majda heette het restaurant – een plek die niet was bedoeld als symbool, maar het toch werd. Wie er zat, proefde niet alleen aubergine en muhammara, maar ook het gevoel dat samen eten iets kon bereiken wat buiten steeds moeilijker werd. Na 7 oktober sloten de eigenaren de deuren. Het land, zeiden ze, was gehuld in haat en pijn. Wat aan tafel nog lukte, hield daarbuiten geen stand meer.

Als de politiek verhardt, verandert ook de manier waarop we naar eten kijken. Wat op het bord ligt, wordt ineens een kwestie van afkomst en recht.

Toen ik in Caïro woonde en later door Jordanië reisde, schoof ik regelmatig aan bij mensen thuis, vaak na een spontane uitnodiging. Het gesprek ging vaak al gauw over het eten. Een recept van een grootmoeder, een gerecht dat alleen in een bepaald dorp zo werd gemaakt, een saus die herinnerde aan een huis dat niet meer bestond. Op een dakterras in een drukke stad of in een stille tuin buiten Amman was eten zelden “zomaar” iets. Het droeg familie, verlies en trots in zich mee. Niemand hoefde dat uit te leggen, de gedekte tafel sprak voor zich.

Daarom is het niet vreemd dat ook in het Israëlisch-Palestijnse conflict voedsel meer wordt dan smaak. In Vrij Nederland verscheen een artikel over culinair zionisme, het idee dat de Israëlische keuken Palestijnse gerechten en tradities overneemt om zo een eigen verhaal te bouwen. Wie wil begrijpen hoe een land zichzelf presenteert, kan niet om eten heen. Keukens ontstaan uit wat mensen meenemen in koffers en herinneringen, uit wat ze kwijtraken en opnieuw proberen te maken. Wie wil weten hoe dat werkt, hoeft maar te kijken naar de gretigheid waarmee Nederlanders zich aanmelden voor een borrel bij een ambassade zodra het woord kroketten, bitterballen en kaas valt in de uitnodiging. Heimwee laat zich frituren.

In 1936 verscheen in Tel Aviv het kookboek How to Cook in Palestine. Het was bedoeld voor Joodse immigranten die hun weg moesten vinden in een nieuw klimaat, met andere producten en andere gewoonten. Het boek moedigde hen aan hun zware, Europese keuken los te laten en zich te richten op wat het land bood: aubergines, okra, olijven, citrusvruchten. Gezond, zuinig, passend bij een nieuw begin. De keuken werd een oefenruimte voor identiteit, een plek waar het oude Europa langzaam plaats moest maken voor iets nieuws.

Wat opvalt, is wat ontbreekt. De ingrediënten zijn lokaal, de mensen die ze al generaties lang verbouwden en bereidden blijven op afstand. Ze worden zelden bij naam genoemd. Het land wordt omarmd, de bevolking nauwelijks. Zo kan een recept tegelijk verbinden en uitwissen.

Dat mechanisme is sindsdien alleen maar zichtbaarder geworden. Falafel en hummus zijn niet zomaar gerechten, maar nationale symbolen. Ze duiken op bij staatsbezoeken, in marketingcampagnes, in discussies op sociale media. Wie falafel claimt, claimt meer dan een gefrituurd balletje. Het gaat over erkenning, over legitimiteit, over wie mag zeggen dat hij ergens thuishoort. In deze regio wordt zelfs een simpele salade een stellingname.

Van Palestijnse zijde klinkt al jaren de klacht dat het presenteren van deze gerechten als “Israëlisch” neerkomt op het uitwissen van een geschiedenis. Dat het niet alleen gaat om wie het kookt, maar om wie genoemd wordt en wie niet. Aan Israëlische kant wordt erop gewezen dat veel van deze gerechten ook deel uitmaakten van Joodse gemeenschappen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, lang voordat zij in de nieuwe staat terechtkwamen, een staat die in 1936 nog niet bestond en waar de inwoners eenvoudigweg Palestijn heetten, ongeacht religie of herkomst. Wat voor de één toe-eigening heet, heet voor de ander vermenging of terugkeer. De discussie gaat zelden over kikkererwten en vrijwel altijd over wie meetelt.

Juist daarom was de samenwerking tussen Yotam Ottolenghi en Sami Tamimi zo symbolisch. Een Israëlische Jood en een Palestijn uit Jeruzalem die samen kookten en schreven over een stad die hen beiden toebehoort en tegelijk aan geen van beiden volledig. Hun boek werd gevierd als bewijs dat gedeelde smaken mogelijk zijn, dat je naast elkaar kunt staan in de keuken, ook als de geschiedenis tussen je in staat.

Na 7 oktober veranderde de toon. De oorlog kroop onvermijdelijk ook in hun vriendschap en samenwerking. Wat eerder een vanzelfsprekend partnerschap leek, werd beladen. Zelfs een gezamenlijk recept staat dan onder spanning. Niet omdat de smaak verandert, maar omdat de wereld eromheen dat wel doet.

Misschien is dat wat eten in dit conflict zo explosief maakt. Het is intiem, je neemt het letterlijk in je lichaam op. Het gaat over thuis, over herinnering, over wie je was en over wie je wilt zijn. Gerechten zijn meer dan een keuze op de menukaart. Wie een verhaal weglaat in een boek, laat iemand verdwijnen.

En toch, elke keer als ik terugdenk aan die avonden in Caïro en reizend door Jordanië, zie ik mensen die juist via eten hun verhaal veiligstellen. Een schaal rijst, een kom hummus, een simpele salade met tomaat en komkommer. Geen manifest of vlag, maar het stille, koppige bewijs dat cultuur niet ophoudt te bestaan omdat iemand anders hetzelfde eet.

Misschien ligt daar de echte spanning. Niet in de vraag wie falafel bezit, maar in de vraag wie het recht heeft om zijn geschiedenis erbij te vertellen.

Zolang het over recepten en geschiedenis gaat, blijft het een gesprek over verhalen.

Maar in het Nederlandse debat verschuift iets. Het gaat niet alleen meer over hoe een land zichzelf vormgeeft, maar over wie er aan tafel zit. De aandacht verschuift van wat iemand kookt naar wie iemand is.

Ottolenghi is in kookrubrieken een Brit die het Midden-Oosten op tafels zette, een man die groenten spannend maakte en ooit in Amsterdam woonde. Zijn identiteit is geen probleem zolang het over kruiden en granaatappel gaat. Wanneer het conflict oplaait, wordt zijn afkomst plots relevant. Moet hij zich uitspreken, afstand nemen, of wordt stilte zelf al beschouwd als een keuze?

Jarenlang vormde hij samen met Sami Tamimi het gezicht van een gedeeld culinair verhaal. Hun boek Jeruzalem werd gelezen als bewijs dat smaken grenzen konden overstijgen. Na 7 oktober kwam er een breuk. Geen ruzie over recepten, maar over woorden. Over wat gezegd moest worden en wanneer. Wat ooit gold als voorbeeld van verbondenheid, werd een herinnering aan hoe diep een scheidslijn kan snijden.

Maar 7 oktober maakte niet alleen fysieke slachtoffers. Het sneed ook door samenwerkingen en vriendschappen heen. Wat eerder naast elkaar kon bestaan, werd iets dat uitleg vroeg.

Sindsdien krijgen niet alleen politici, maar ook kunstenaars, wetenschappers en chefs de vraag voorgelegd waar zij staan. Aanwezig zijn is niet altijd meer genoeg, er moet eerst iets worden gezegd. In zo’n sfeer verschuift het gesprek van wat iemand doet naar wie iemand is. Je wordt niet alleen gehoord, je wordt gewogen.

De druk om positie te kiezen speelt niet alleen in het Midden-Oosten. Nederlandse Joden vertellen al langer hoe zij hun keppel afzetten buiten de synagoge of een mezoeza liever aan de binnenkant van de deur hangen. Niet uit schaamte, maar uit voorzichtigheid. Zichtbaar zijn is geen vanzelfsprekendheid meer.  Wie aandacht vraagt voor onveiligheid, merkt hoe snel het gesprek verschuift. Niet naar de vraag wat er gebeurt, maar naar de vraag wie het zegt. Loyaliteiten worden verondersteld voordat ze zijn uitgesproken.

Dat mechanisme herkennen we. Na 9/11 werd van moslims verwacht dat zij zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig uitspraken tegen terrorisme, ook wanneer zij daar geen enkele band mee hadden. Dat werd later terecht bekritiseerd als een oneerlijke collectieve verantwoordelijkheid. We vinden het evenmin vanzelfsprekend om christelijke kunstenaars eerst te laten verklaren dat zij afstand nemen van misbruik in de kerk of van politieke besluiten van regeringen die zich op christelijke waarden beroepen.

Toch lijkt in het huidige debat rond Israël en Palestina iets vergelijkbaars opnieuw normaal te worden. Niet alleen wat iemand maakt of schrijft wordt beoordeeld, maar eerst wie iemand is. Of het nu gaat om een kookboek, een restaurant of een jarenlange vriendschap, de tafel wordt een plek waar identiteit wordt gewogen voordat er kan worden gesproken. De vraag is niet langer wat er op het menu staat, maar wie er mag aanschuiven.

Als daarbovenop wordt gevraagd om afstand te nemen van een regering, verschuift er opnieuw iets. Een kok wordt gelezen als verlengstuk van een staat en kookboek als bewijsstuk. Zo wordt een rommelige geschiedenis teruggebracht tot een aanklacht.

De Israëlische keuken is gevormd door migratie en verlies. De Palestijnse keuken evenzeer. Smaken lopen door elkaar heen, net als verhalen. Dat is rommelig en niet altijd eerlijk verdeeld, maar zelden zo strak afgebakend als het debat doet vermoeden.

Zo verandert ook de tafel van betekenis. Niet langer vanzelfsprekend een plek waar verschillen worden gedeeld, maar een ruimte waar eerst positie moet worden bepaald.

Sahtein betekent: op je gezondheid, eet smakelijk, geniet van je maaltijd. Er zit geen ontkenning in en geen conflict.

Op 7 oktober werden in Israël huizen binnengevallen, families vermoord, mensen ontvoerd. In Gaza zijn sindsdien complete woonwijken verwoest. Ook hulpverleners van World Central Kitchen kwamen om bij een aanval terwijl zij voedsel brachten. Keukens zijn vernietigd. Niet als metafoor, maar letterlijk.

Dat is de werkelijkheid waarin wij discussiëren over recepten en representatie.

Als de menukaart een morele meetlat wordt, verandert niet alleen het diner, maar ook wie er nog durft aan te schuiven.

Sahtein | bronnen

Opinie

Iran, maar dan graag via Israël

Over selectief activisme en het wegkijken terwijl Iraniërs vechten voor hun vrijheid

Vorig jaar schreef ik over Iran als een land waar vrouwen die uit de pas lopen worden bestraft met verkrachting, zweepslagen en de galg. Dat stuk ging niet over incidenten, maar over een systeem. Over een staat die geweld inzet als bestuursvorm en het lichaam van vrouwen gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen. Geen ontsporing, maar een meedogenloos beleid.

Wat we nu zien, is wat er gebeurt wanneer datzelfde systeem zich niet meer beperkt tot vrouwen, maar iedereen raakt die nog durft te spreken. Niet alleen volwassen mannen, maar ook schoolmeisjes, jongens, oude vrouwen. Iedereen die weigert te zwijgen.

Dit gebeurt nu. In Iran wordt op dit moment geschoten op mensen die de straat op gaan omdat ze hun vrijheid opeisen. Het gaat allang niet meer alleen om de verplichte hijab of de positie van vrouwen. De munt is ingestort, prijzen rijzen de pan uit, lonen zijn niets meer waard. Winkels sluiten uit protest, universiteiten lopen leeg en demonstraties breken uit in tientallen steden.

De reactie van de staat is niet terughoudend en niet aarzelend. Veiligheidstroepen schieten met scherp. De Revolutionaire Garde wordt ingezet. Het internet wordt vrijwel volledig afgesloten. Alleen via Starlink bestaat nog een mogelijkheid om beelden en berichten naar buiten te krijgen. Ja, van Musk. Bespaar me de morele bijsluiters. Zonder die verbinding blijft alles onzichtbaar.

Dat is geen technisch probleem en geen poging tot rust. Het is een bewuste keuze om zicht weg te nemen terwijl het geweld doorgaat. Wie niets ziet, kan later zeggen dat hij het niet wist. Waar hebben we dat eerder gehoord?

De beelden zijn er. Lichamen liggen in lijkzakken in mortuaria en op binnenplaatsen. Families zoeken tussen de zakken naar hun kinderen, hun partners, hun broers. Mensenrechtenorganisaties spreken over honderden doden en meer dan tienduizend arrestaties. Die aantallen liggen waarschijnlijk hoger, juist omdat communicatie is afgesneden en onafhankelijke controle wordt tegengewerkt. Gewonden mijden ziekenhuizen uit angst om daar alsnog te worden opgepakt. Rouw mag alleen onder toezicht.

Dit is geen verlies van controle.
Dit is controle.

De stilte

Accounts, commentatoren en activisten die maandenlang onafgebroken spreken over Gaza, genocide, kolonialisme en historische schuld, laten Iran grotendeels liggen. Niet omdat zij het nieuws missen, maar omdat Iran geen vanzelfsprekende plek krijgt in hun morele reflex. Het past niet in het verhaal dat al klaar ligt. Het schuurt. Het vraagt om een positie die niet vooraf is uitgeschreven.

Er is geen “people of Iran”. Geen collectieve kreet die viraal gaat, geen morele paniek die zichzelf versterkt. Er wordt geen rode lijn getrokken, niemand plakt zich vast of gaat in een station zitten. Dat is gedoe en bovendien is het koud en oncomfortabel om nu op een stenen vloer of trap te zitten.

Er zijn ook geen vlaggen, geen activisten die met hun gezicht half verborgen achter een balaclava iets mompelen over mensenrechten. En laten we eerlijk zijn: de universiteitsgebouwen staan er nog. Niet gesloopt, niet bezet. Voor tentjes, spandoeken en kamperen geldt blijkbaar dat het weer moet meewerken. Verontwaardiging blijkt voorwaarden te hebben – en comfort staat hoog op het lijstje.

Wat er wél verschijnt, zijn andere gesprekken. Draadjes over alledaagse keuzes, persoonlijke ergernissen, het gemak of ongemak van consumptie, reizen en routines. Niets verkeerds op zichzelf, maar veelzeggend in dit moment. Waar dagenlang onvermoeibaar berichten konden worden gedeeld over Gaza, waar elke ontwikkeling werd geduid, versterkt en herhaald, valt het gesprek over Iran stil. Terwijl daar mensen worden neergeschoten, opgepakt en van het internet afgesneden, verschuift hier de aandacht naar het veilige en het herkenbare. Geen standpunt innemen blijkt ook een standpunt.

Dat is geen onschuldige afleiding. Het is een keuze.

Het moment waarop Iran wél verschijnt

Dat verandert pas wanneer het onderwerp Iran koppelingen aan Israël en de VS krijgt. Zodra het regime zelf begint te wijzen naar de Verenigde Staten en Israël als veroorzakers van het geweld, verschijnt Iran ineens wél in posts op sociale media. Als geopolitiek schaakstuk, welteverstaan. Niet als land waar burgers worden neergeschoten, maar als bewijsstuk in een bestaand debat dat al lang draait om iets anders.

Plots gaat het over CIA, Mossad, zionistische lobby’s en buitenlandse inmenging. Demonstranten worden herleid tot marionetten. De naam Pahlavi duikt op als afleiding, niet om Iraniërs te beschermen, maar om het gesprek te verplaatsen. Iran wordt niet verdedigd, maar gebruikt.

Dit is geen interpretatie. Het is timing.

Wat er gezegd wordt terwijl Iraniërs in opstand komen?

“In Nederland heeft de zionistische lobby een comité ‘voor Iran’ opgericht om sympathie te wekken voor de terugkeer van de sjah.”

“Wie nu over Iran praat zonder Israël te noemen, mist de kern.”

“Deze protestgolf gaat niet over mensenrechten, maar over geopolitieke belangen van de VS en Israël.”

“Het is cynisch dat mensen die eerder genocide in Gaza goedpraatten nu ineens huilen over Iran.”

“Demonstranten in Iran zijn marionetten van CIA en Mossad.”

“De media laten alleen gewelddadige beelden zien omdat dat past in hun anti-Iran agenda.”

“Veel Iraniërs steunen het regime, maar dat wordt bewust niet getoond.”

“Hoe een islamitisch land zichzelf bestuurt, is geen westerse zaak.”

Alle citaten zijn afkomstig uit openbare posts op sociale media (10–12 januari 2026). Volledige bronverwijzingen staan onder dit artikel.

Regimes en hun echo in het Westen

De ayatollahs geven hun regime graag een stem uit het Westen, om ook daar publiek te bedienen. Westerse woorden geven legitimiteit aan een verhaal dat intern met geweld wordt afgedwongen.

Een van die echo’s was in 2024 Jan Tervoort. Niet als journalist of deskundige, maar als sociale-mediafiguur die zijn zichtbaarheid vrijwel volledig ontleent aan X. Buiten dat platform heeft hij geen noemenswaardige stem en zelfs daar blijft zijn bereik beperkt. Hij liet zich inzetten om te spreken over Israël en vermeende zionistische netwerken. Niet over repressie in Iran, niet over executies of gevangenissen, maar over alles wat het regime goed uitkwam.

Over mensenrechten in Iran is hij elders helder: “Neuh, ik hou me niet echt bezig met mensenrechten in Iran. Het leven is keuzes maken.”

Dat hij daar toen sprak en nu zwijgt, is geen toeval. Het laat zien welk onderwerp zijn volle aandacht krijgt en welke mensenrechten er niet toe doen.

Iraanse stemmen

Terwijl dit alles gebeurt, spreken Iraniërs zelf. Journalisten en activisten laten zien hoe het internet wordt afgesloten, hoe mensen massaal worden opgepakt en hoe snelle executies dreigen. Ze waarschuwen dat het klakkeloos overnemen van het verhaal van het regime levens kost, omdat het geweld legitimeert en steun van buitenaf ondergraaft.

Die stemmen zijn er. Ze zijn duidelijk en volhardend. Ze vertellen over families die hun doden niet mogen begraven zonder toestemming, over gevangenen die verdwijnen, over jongeren die worden opgepakt omdat ze een video delen of iets roepen op straat. Ze blijven spreken, ook nu alles erop is gericht hen het zwijgen op te leggen.

Maar deze stemmen bereiken vooral mensen buiten de bubbel die zichzelf graag anti-imperialistisch noemt. Het probleem is geen gebrek aan informatie, maar een gebrek aan bereidheid om te luisteren zodra de boodschap niet past in een vertrouwd verhaal.

Wat dit doet

Dit alles is niet neutraal. Wegkijken is een keuze en die keuze heeft gevolgen. Selectief activisme ontneemt Iraniërs internationale steun op het moment dat die het hardst nodig is. Het versterkt het narratief van een regime dat zich als slachtoffer presenteert, terwijl het zijn eigen bevolking neerschiet. Het maakt geweld onzichtbaar door het te verklaren in plaats van het te benoemen.

Iraans verzet wordt zo twee keer uitgewist. Eerst door een staat die schiet, censureert en begraaft. Daarna door activisten die alleen spreken wanneer een crisis past binnen hun vaste morele kader en zwijgen zodra dat kader schuurt.

Iran is geen decor en geen verlengstuk van een ander conflict. Het is geen bijzaak en geen kapstok voor morele zelfprofilering. Het is een land waar nu burgers worden doodgeschoten omdat ze weigeren te verdwijnen.

Wie dat verkleint of verplaatst, maakt een keuze. Niet voor nuance, maar uit gemakzucht. En precies op dat gemak rekent dit regime.

Dit is het moment waarop selectief activisme door de mand valt.

Iran, maar dan graag via Israël | b r o n n e n

Opinie

Free Palestine, maar nu even niet

In de tweede week van oktober publiceerden internationale en Nederlandse media berichten over wat zich in Gaza afspeelde na het staakt-het-vuren met Israël. Niet over raketten of bombardementen, maar over Hamas dat opnieuw de straten opging om zijn gezag te herstellen.

Volgens Haaretz en Times of Israel werden tientallen Palestijnen opgepakt en geëxecuteerd wegens vermeende samenwerking met Israël. Video’s van openbare terechtstellingen werden door meerdere redacties geverifieerd. Ook The New York Times bevestigde de echtheid van beelden waarop acht mannen te zien zijn die op hun knieën worden doodgeschoten.

Het patroon was in alle berichtgeving hetzelfde: Hamas herstelt orde door middel van geweld. De groep richt zijn wapens niet langer op Israël, maar op eigen burgers en rivaliserende clans.

Hoe de media keken naar Gaza: van Jeruzalem tot New York

Internationale berichtgeving

Haaretz (Israël)
Hamas shoots opponents in Gaza unimpeded.
Feitelijke toon, gebaseerd op eigen bronnen in Gaza. Hamas verschijnt als regime dat angst gebruikt om gezag te herstellen.
Times of Israel (Israël)
Hamas said to kill over 30 Gazans, publicly execute 7.
Legt de nadruk op aantallen en politieke reacties. De Palestijnse Autoriteit noemt de executies “gruwelijke misdaden”, Trump doet ze af als “ordehandhaving”.
The Guardian (Verenigd Koninkrijk)
Hamas deploys armed fighters and police across parts of Gaza.
Neutrale verslaggeving met diplomatiek taalgebruik. Orde en stabiliteit staan centraal, niet vrijheid of verantwoordelijkheid.
The New York Times (Verenigde Staten)
With Truce in Place, Hamas Pursues Bloody Crackdown on Rivals in Gaza.
Eigen verificatie van videobeelden en interviews met getuigen. Hamas wordt beschreven als autoritaire macht die zijn legitimiteit probeert te herwinnen, met Trumps stilzwijgende toestemming.

Nederlandse berichtgeving

De Telegraaf
De rol van Hamas is wel uitgespeeld.
Politieke invalshoek. Hamas als verliezer, Trump als redder.
NRC
Hamas executeert in Gaza rivalen op straat.
Zakelijke, goed onderbouwde berichtgeving. De nadruk ligt op angst en machtsbehoud.
Volkskrant
Hamas duikt weer op in Gaza en stelt orde op zaken, met het fiat van Trump.
Analyse van macht en diplomatie, minder aandacht voor burgers.
Trouw
Met het bestand probeert Hamas zijn machtspositie terug te pakken.
Beschouwende toon. Ordeherstel wordt erkend, maar niet verheerlijkt.
AD
Met openbare executies wil Hamas orde herstellen in Gaza: ‘Angstaanjagend’.
Visueel en emotioneel geschreven, met nadruk op schrik en chaos.

Wat dit laat zien

De verschillen in stijl zijn groot, maar de kern is overal gelijk: Hamas gebruikt geweld om de macht te behouden. Israëlische en Amerikaanse media legden de nadruk op repressie en angst, Britse en Nederlandse redacties op orde en machtspolitiek. In geen enkel medium werd Hamas voorgesteld als bevrijdingsbeweging.

De vergoelijking

Tegelijk verschenen berichten waarin het geweld niet werd ontkend maar gerechtvaardigd.

De Britse academicus Harry Pettit, verbonden aan de Radboud Universiteit, schreef op X  met zijn account @harrygpettit, dat de geëxecuteerde mannen “collaborateurs [waren] die met de IOF werkten om genocide uit te voeren tegen hun eigen volk”.
Hij voegde eraan toe: “They didn’t survive it – as they shouldn’t.”

Een dag later publiceerde hij een afbeelding van Hamasleider Yahya Sinwar met de tekst: “He will be glorified for generations as a hero who taught us to stand tall against imperial power.”
Ook schreef hij: “Being associated with Hamas should be a badge of honour.”

Het account @OuweDibbes vergeleek de executies met het Nederlandse verzet in 1945: “Waarom zijn de ZIONAZI’s nu zo verontwaardigd als het Palestijnse verzet (Hamas) hetzelfde doet?”

De man achter het dit account, Huso A., staat erom bekend geregeld van identiteit te wisselen: de ene maand presenteert hij zich als Joods, de volgende als een geadopteerde Palestijnse wees of bekeerde moslim. Eerder vertelde hij dat zijn tante was omgekomen bij een aardbeving in Marokko, later dat zijn hele familie in Gaza zou zijn omgekomen tijdens Israëlische bombardementen. Voor de duidelijkheid: het is gewoon een geboren en getogen Fries – met een grote fantasie.

Zijn verhalen veranderen met de actualiteit, maar hebben één constante: ze zorgen voor aandacht, medeleven en soms donaties. Dat hij zich nu opwerpt als verdediger van Hamas past in dat patroon, en zijn berichten – ondanks zijn reputatie – worden regelmatig gedeeld.

Zelfs toen anderen erop wezen dat zijn verhalen aantoonbaar onjuist waren, vond men dat geen probleem.  “Het gaat mij om de argumenten die hij ventileert,” reageerde een van hen. Waarheid werd ondergeschikt aan bevestiging.Zolang iemand maar zei wat in het gewenste verhaal paste, maakte het niet meer uit of diegene loog, manipuleerde of profiteerde.

Het linkse account @Feestbrood schreef: “Omdat het verzet wat collaborateurs en verraders uit de weg ruimt. Geen schaamte, deze mensen.” Een ander, @werkschuwtuig2, beschuldigde RTL Nieuws ervan “consent te creëren voor genocide” door over de executies te berichten.

Voor de duidelijkheid: achter deze accounts zitten dezelfde activisten die eerder probeerden de 5-mei-herdenking op de Dam te verstoren.

Deze reacties vormden geen randverschijnsel. Ze werden gedeeld en herhaald binnen activistische netwerken van studenten en docenten die eerder campagne voerden onder #FreePalestine. Dezelfde kring die Israëlische bombardementen als oorlogsmisdaden bestempelde, verdedigde nu publiekelijke standrechtelijke executies van Palestijnen door Hamas.

De logica was omgekeerd maar consistent: als Israël de vijand is, moet Hamas het verzet zijn – ongeacht wat het doet.
Morele overtuiging verandert zo in loyaliteit.

De stilte van de solidariteit

Die stilte was niet neutraal. Ze werd gevuld met vergoelijking, misleiding en ideologische omkering.

In de dagen dat Haaretz en The New York Times de executies verifieerden, verspreidden activisten berichten waarin Hamas werd geprezen.

Pettit publiceerde een lofzang op Yahya Sinwar: “Today is the anniversary of Yahya Sinwar’s martyrdom. Despite billions of dollars being pumped into Zionist propaganda designed to dehumanize and vilify him, he will be glorified for generations as a hero who taught us all to stand up tall against imperial power and violence.”

De Palestijnen die door Hamas op straat werden geëxecuteerd, kregen van hem een ander label: “They were collaborators who worked with the IOF to carry out a genocide against their own people.”Alles is liefde, daar in Nijmegen.

De taal van bevrijding is taal van dwang geworden. Wie zich verzet tegen onderdrukking, gebruikt dezelfde argumenten om onderdrukking elders te rechtvaardigen.

De ironie is scherp: de beweging die zegt te spreken voor vrijheid, valt stil wanneer die vrijheid intern wordt onderdrukt. Wie ooit “Free Palestine” riep, zwijgt nu wanneer Palestijnen door Hamas worden neergeschoten, of zet de slachtoffers weg als ‘collaborateurs van Israël’.

Dan is blijkbaar alles geoorloofd.

Die stilte is geen onwetendheid, maar een keuze. Ze zegt niet we wisten het niet, maar we willen het niet weten.

Waar empathie ophoudt

De berichtgeving over Gaza laat zien hoe moeilijk het is om morele helderheid te bewaren in een conflict waarin iedereen partij kiest. Feiten worden niet meer getoetst op juistheid, maar op bruikbaarheid.

Wie zegt op te komen voor Palestijnen, zou ook oog moeten hebben voor de Palestijnen die onder Hamas lijden. Dat erkennen is geen verraad, het is een basisvoorwaarde.

De stilte van de afgelopen week legt iets pijnlijkers bloot dan onwetendheid: selectieve empathie. De solidariteit die ooit zo luid klonk, blijkt afhankelijk van wie het kwaad pleegt.

Als Israël bommen gooit, is het verzet moreel.
Als Hamas executeert, is het “complex”.

Het laat zien hoe verontwaardiging werkt als identiteit: niet om slachtoffers te helpen, maar om jezelf aan de goede kant van de geschiedenis te plaatsen. Het gaat niet om mensen, maar om symbolen die bevestigen wat je al dacht.

In die wereld bestaan hiërarchieën van leed. Sommige doden zijn waardevoller dan andere, sommige misdaden beter te verdragen zolang ze door de juiste handen worden gepleegd. Morele overtuiging is dan geen kompas meer, maar een spiegel.

Zolang solidariteit draait om standpunten in plaats van mensen, blijft ze hol.
Vrijheid verliest betekenis zodra ze alleen geldt voor de mensen die in je verhaal passen.

Verder lezen? Klik hier voor een overzicht naar een aantal bronnen.

Media

Apartheid en de media

“I swore never to be silent whenever and wherever human beings endure suffering and humiliation. We must take sides. Neutrality helps the oppressor, never the victim. Silence encourages the tormentor, never the tormented.”

Wie zwijgt, kiest de kant van de onderdrukker, zei Elie Wiesel. Toch blijft het in Nederlandse en Europese media opvallend stil over iets wat internationale mensenrechtenorganisaties steeds explicieter benoemen: de Israëlische apartheid.

In april 2021 publiceerde Human Rights Watch een uitgebreid rapport waarin Israël wordt aangeduid als een apartheidsstaat, met de expliciete oproep om die term ook zo te gebruiken. Enkele maanden eerder trok de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem dezelfde conclusie. Beide rapporten kwamen van internationaal gerespecteerde organisaties, maar kregen nauwelijks aandacht in de Nederlandse media. Het later verschenen rapport van Amnesty International onderging hetzelfde lot. In plaats van inhoudelijke journalistieke duiding verschoof het debat vooral naar sociale media, waar kritiek op de staat Israël routinematig werd weggezet als antisemitisme.

Dat is opmerkelijk, omdat deze drie rapporten, verschenen binnen één jaar, fundamentele vragen oproepen over structurele mensenrechtenschendingen en de behandeling van de Palestijnse bevolking. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de manier waarop over apartheid in relatie tot Israël wordt gesproken, de afgelopen jaren verschuift. Binnen de wetenschap, bij mensenrechtenorganisaties en in internationale media is die verandering duidelijk merkbaar. Alleen de Noordwest-Europese pers lijkt achter te blijven, met weinig diepgravende analyses of hoofdredactionele reflectie.

Ha’aretz en het woord apartheid

Voor dit artikel onderzocht ik hoe Israëlische media schrijven over apartheid, met een focus op dagblad Ha’aretz. Deze krant staat bekend als een onafhankelijke kwaliteitskrant, liberaal van toon en invloedrijk binnen het publieke debat. Via Factiva analyseerde ik het gebruik van het woord ‘apartheid’ in Ha’aretz tussen januari 2017 en januari 2022. Dat leverde 915 artikelen op.

Niet alleen de frequentie is relevant, maar ook de context. Verschijnt het woord in de kop of alleen in een citaat? Wordt het centraal gebruikt of terloops genoemd? En misschien nog belangrijker: staat het tussen aanhalingstekens, of niet? Aanhalingstekens fungeren vaak als een subtiel signaal dat een term als omstreden of niet-legitiem wordt gepresenteerd.

Wat opvalt, is dat de toon in recente artikelen duidelijk verschilt van eerdere jaren. Waar Ha’aretz lange tijd dicht bij het officiële narratief van de staat Israël bleef, sluit de berichtgeving steeds vaker aan bij een verschuivende publieke opinie. Het woord apartheid verschijnt vaker en steeds vaker zonder distantie, al zal het waarschijnlijk nog tijd kosten voordat het begrip volledig wordt geaccepteerd in het bredere debat.

Geloofwaardigheid en weerstand

De term apartheid blijft politiek beladen. In diplomatieke en publieke contexten wordt nog vaak gesproken over ‘tijdelijke bezetting’, een kwalificatie die na meer dan vijftig jaar vooral vragen oproept. De Israëlische politicoloog Oren Yiftachel wees er in 2021 op dat apartheid verschillende vormen kent en niet één op één hoeft overeen te komen met het Zuid-Afrikaanse model.

Intussen gelooft vrijwel niemand nog serieus in een levensvatbare tweestatenoplossing. Wel wint een alternatief denkmodel terrein, zoals A Land for All, een Israëlisch-Palestijnse beweging die pleit voor gedeelde soevereiniteit, gelijke rechten en vrijheid van beweging voor alle inwoners. Een van de initiatiefnemers is journalist Meron Rapoport, die al jaren pleit voor een radicaal ander perspectief op het conflict.

De geloofwaardigheid van Ha’aretz speelt hierin een rol. Al in 2007 concludeerden onderzoekers in het tijdschrift International Security dat analyses en opiniestukken in onder andere Ha’aretz zelden inhoudelijk ter discussie worden gesteld, vanwege hun feitelijke nauwkeurigheid en onderbouwing. Mede daarom kon Human Rights Watch uitgebreid naar de krant verwijzen zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.

Afwijzing door identificatie

De afwijzing van het woord apartheid onder veel Israëli’s hangt nauw samen met de overtuiging dat de staat zich uitsluitend verdedigt tegen terrorisme. Illegale nederzettingen worden door grote delen van de bevolking geaccepteerd, net als de realiteit waarin miljoenen Palestijnen structureel minder rechten hebben. Daarmee staat Israël voor een keuze die vergelijkbaar is met die van Zuid-Afrika destijds: een beweging richting gelijkheid, of het bestendigen van een systeem van structurele ongelijkheid.

Dat het begrip apartheid polariseert, is duidelijk. Veel Israëlische wetenschappers en journalisten vermijden het bewust, uit angst voor reputatieschade voor de staat en voor de Joodse identiteit als geheel. Tegen die achtergrond is de ontwikkeling bij Ha’aretz opvallend. De krant gebruikt het woord steeds vaker zonder aanhalingstekens, zowel in koppen als in de lopende tekst. Dat wijst op een betekenisvolle verschuiving.

Opinie en taalgebruik

In oktober 2021 schreef voormalig plaatsvervangend procureur-generaal Yehudit Karp over de terughoudendheid rond het gebruik van het woord apartheid. Volgens haar haken veel lezers af zodra Israël met dat begrip in verband wordt gebracht. Apartheid hoort, in die beleving, bij Zuid-Afrika tussen 1948 en 1990, niet bij Israël. Wie het woord toch gebruikt, wordt al snel gezien als een radicaallinkse criticus of als iemand met antisemitische motieven.

Toch laat onderzoek zien dat Ha’aretz al jaren aandacht besteedt aan de humanitaire gevolgen van bezetting en nederzettingen, lang voordat Europese en Amerikaanse media dat structureel deden. Inmiddels gebruiken steeds meer Joodse en Israëlische critici de term openlijk, van journalisten en academici tot bloggers.

Een nieuwe toon

In recente artikelen schrijft Ha’aretz steeds kritischer over corruptie binnen de Israëlische regering, over morele twijfel na jarenlange militaire dienst en over het doden van Palestijnse kinderen bij vergeldingsaanvallen die nauwelijks nog nieuwswaarde lijken te hebben. De krant analyseert hoe radicale islam wordt ingezet als rechtvaardiging voor voortdurende bezetting, en bekritiseert de quasi-neutraliteit van de Israëlische regering ten aanzien van Rusland, terwijl de Holocaust wordt herdacht en tegelijk wordt gesproken over een nieuwe genocide in Europa.

Daarnaast beschrijft Ha’aretz structurele schendingen van Palestijnse basisrechten: huisvernietigingen, bewegingsbeperkingen en een dagelijkse realiteit van ongelijkheid. Zelfs wanneer het woord apartheid niet expliciet valt, zijn de gevolgen zichtbaar. Ook waarschuwt de krant voor de rol van desinformatie en geruchten, die via sociale media kunnen leiden tot geweld, vooral rond explosieve plekken als de Tempelberg.

Het besef groeit dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de internationale gemeenschap de kwalificatie ‘apartheid’ overneemt, met alle politieke gevolgen van dien.

Woorden doen ertoe

Woorden doen ertoe. Media kiezen ze zorgvuldig, niet alleen om te informeren, maar ook om het publieke debat vorm te geven. Taal beïnvloedt hoe standpunten ontstaan en verschuiven. In een geglobaliseerd medialandschap, waarin Ha’aretz via zijn Engelstalige editie een internationaal publiek bereikt, speelt die woordkeuze een steeds grotere rol.

Volgens jurist John Dugard is de belangrijkste reden dat Europese media het woord apartheid vermijden de angst om van antisemitisme te worden beschuldigd. Zolang het onderscheid tussen antisemitisme en kritiek op Israëlisch beleid vervaagd blijft, wordt fundamentele discussie uit de weg gegaan.

Maar zoals Elie Wiesel al zei: neutraliteit helpt de onderdrukker, nooit het slachtoffer. En zolang het woord apartheid uit angst wordt gemeden, blijft het onrecht ongemerkt voortbestaan.

Deze tekst is een samenvatting van een analyse die werd geschreven en gepubliceerd in januari 2022, ruim vóór 7 oktober 2023, als onderdeel van een internationaal project.

Het woord dat iedereen vermijdt | b r o n n e n