Media

Poortwachter van de Onwetendheid

Over AI, toegang en deuren die misschien nooit open zijn geweest

Het begon, zoals de meeste slechte ideeën beginnen, met een vraag waarvan ik dacht dat die hooguit vijf minuten van mijn tijd zou kosten.

Hoe vrij is een Nederlandse journalist in Syrië eigenlijk om te gaan en staan waar zij wil?

Een eenvoudige vraag. Geen valstrik, geen complot, geen Austin Tice, geen crowdfunding, geen Chris Klomp die in de verte op een fluitje blaast omdat iemand op internet iets kritisch heeft gezegd. Zelfs Dikkeboom zat (nog) niet boos te keffen op het digitale erf. Het was gewoon een vraag.

Google Gemini antwoordde verrassend verstandig.

Nee, een journalist beweegt zich in Syrië niet vrij door het land. Toegang hangt af van veiligheid, lokale contacten, machthebbers en omstandigheden ter plaatse. Wie langdurig in een gebied werkt dat wordt gecontroleerd door een regime, militie of gewapende beweging, ontwikkelt vanzelf relaties met de mensen die bepalen waar je komt, wie je spreekt en of je morgen nog steeds welkom bent.

Dat leek me een redelijke constatering. Ik schonk mezelf een kop koffie in en besloot een paar vragen verder te kijken. Achteraf gezien had ik beter moeten weten. Niet omdat Gemini ongelijk had, maar omdat de chatbot zich in minder dan een uur had ontwikkeld van een bedachtzame gesprekspartner tot iemand die Rena Netjes had uitgeroepen tot schoolvoorbeeld van captured journalism. Chris Klomp was ondertussen gedegradeerd tot “luidruchtige verdediger van de gevestigde orde”, terwijl ikzelf volgens de digitale wijsgeer vooral bekendstond als een soort calvinistische belastinginspecteur die permanent vraagt waar de bonnetjes gebleven zijn.

Dat laatste vond ik persoonlijk een tikje overdreven, want ik vraag heus niet altijd waar de bonnetjes zijn. Alleen wanneer er duizenden euro’s worden ingezameld voor een zoektocht waarvan niemand precies weet hoe die eruitziet. Kennelijk ben ik daarmee doorgeschoten in een ongezonde hang naar transparantie.

Wat vervolgens gebeurde was eigenlijk veel interessanter dan de oorspronkelijke vraag. Gemini begon namelijk dezelfde fout te maken als mensen. Dat klinkt misschien niet bijzonder, maar een groot deel van het huidige AI-debat draait juist om het idee dat kunstmatige intelligentie rationeler en consistenter zou redeneren dan wij. Na een klein uur concludeerde ik dat Gemini er vooral in geslaagd was een gemiddelde internetdiscussie te automatiseren.

Het begon allemaal nog heel voorzichtig, met disclaimers en waarschuwingen en uiteraard altijd de kleine lettertjes onderin waarin keurig wordt verteld dat AI fouten kan maken. Een verstandig voorbehoud, zo bleek later, al had ik op dat moment nog niet door dat Gemini zich zou ontwikkelen tot een digitale kroegfilosoof met een kwaaie dronk: aanvankelijk vriendelijk, vervolgens stellig en tegen sluitingstijd volledig overtuigd van het eigen gelijk waarvoor ieder bewijs ontbrak.

Aanvankelijk bleef Gemini nog netjes binnen de lijntjes. Er bestaat literatuur over access journalism, vertelde het. Daarna kwam source capture voorbij, gevolgd door embedded journalism en een handvol academici die zich vermoedelijk in hun graf zouden omdraaien als ze wisten wat er met hun werk gebeurde. Tot zover was er weinig aan de hand. Het probleem was dat Gemini gaandeweg dezelfde aandoening ontwikkelde als sommige mensen op sociale media: het begon een theorie te verwarren met een vaststaand feit.

Omdat er literatuur bestond over afhankelijkheid van bronnen, begon Gemini te doen alsof afhankelijkheid in deze specifieke situatie al bewezen was. Een paar vragen later had het zichzelf niet alleen benoemd tot onderzoeker, maar ook tot beoordelingscommissie, promotor en eindredacteur van een proefschrift dat nooit geschreven was.

Ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Wat begon als een voorzichtige gedachte werd langzaam een mogelijkheid, daarna een waarschijnlijkheid en uiteindelijk een conclusie waar geen speld meer tussen leek te krijgen. Het enige probleem was dat onderweg nergens nieuw bewijs was opgedoken. Het was alsof ik naar een Scandinavische thriller op Netflix keek die alvast de ontknoping had uitgezonden terwijl de eerste aflevering nog moest worden opgenomen.

Het leukste moment kwam toen Gemini besloot iedereen een rol te geven. Alsof het niet alleen een analyse aan het maken was, maar ook alvast de casting voor de verfilming had geregeld. Rena Netjes werd de insider, een functie die vooral lijkt te draaien om informatie die niet gedeeld kan worden. Norbert Dikkeboom kreeg de rol van beheerder van vertrouwen, wat aanzienlijk indrukwekkender klinkt dan organisator van een crowdfundingsactie zonder zichtbaar plan. Chris Klomp werd de luidruchtige verdediger. Voor het eerst in ons gesprek produceerde Gemini een conclusie waar nauwelijks discussie over mogelijk was.

Voor mij had Gemini een functie bedacht die ergens lag tussen journalist, accountant en de Belastingdienst. Volgens de chatbot was ik de poortwachter van de verificatie. Dat klonk aanzienlijk beter dan “vervelende vrouw die blijft doorvragen”, dus ik besloot het te accepteren.

De redenering was steeds opvallend eenvoudig. Rena Netjes woonde eerst in Istanbul en nu weer in Syrië (dank, gulle gevers), kende mensen en had toegang tot plekken waar anderen niet kwamen. Voor veel mensen bleek dat voldoende. Ergens onderweg veranderde toegang van een journalistiek voordeel in een bewijsstuk. Wie toegang had, wist kennelijk meer dan anderen. En wie toegang had, moest haast wel iets kunnen wat de FBI, de CIA, diplomaten, onderhandelaars en de familie Tice zelf in dertien jaar niet was gelukt.

Dat was ook precies de val waar Gemini in trapte. Het begon met toegang als observatie en eindigde met toegang als bewijs. Alsof een open deur automatisch betekent dat er achter die deur ook daadwerkelijk iets te vinden is.

Wie toegang heeft tot het Kremlin weet nog niet wat Poetin denkt. Wie toegang heeft tot het Witte Huis weet nog niet wat er morgen gaat gebeuren, waarschijnlijk Trump zelf al helemaal niet. En wie toegang heeft tot Syrië beschikt niet automatisch over kennis waar inlichtingendiensten, onderhandelaars en de familie Tice al dertien jaar vergeefs naar zoeken. Tenzij natuurlijk de mensen die je toegang verschaffen beschikken over informatie waar de rest van de wereld al dertien jaar vergeefs naar zoekt. Maar dat zou betekenen dat de hele crowdfunding ergens op gebaseerd was, en laten we het nog even geloofwaardig en gezellig houden.

Toegang is hooguit het begin van een verhaal en niet het einde ervan.

Gemini bleek daar net zo gevoelig voor als mensen. Sterker nog, de chatbot werd gaandeweg steeds enthousiaster over zijn eigen theorie. Tegen het einde van ons gesprek legde hij mij uit dat de bloemenfoto’s op het Instagram-account van Rena Netjes eigenlijk een vorm van discursieve inbedding vormden.

Discursieve inbedding.

Ik zag opeens een stel geraniums in Damascus voor me in een treurige pot die zich afvroegen hoe zij verzeild waren geraakt in een academisch debat over journalistieke onafhankelijkheid. De geraniums zelf leken er overigens aanzienlijk minder van overtuigd dan Gemini.

Dat was het moment waarop ik hardop begon te lachen. Niet om Netjes, Klomp of Dikkeboom. Nou ja, niet meer dan anders, dus dan telt het niet.

Uiteindelijk deed Gemini namelijk niets wat mensen niet dagelijks doen. Het werd verliefd op zijn eigen theorie.

De mooiste vondst kwam pas aan het einde: Poortwachter van de Onwetendheid.

Een term die zo goed was dat ik heel even overwoog hem op een tegeltje te laten drukken en naar Team Tice te sturen.

Journalistiek was ooit bedoeld als poortwachter van de democratie. Claims controleren, verhalen toetsen en proberen te onderscheiden wat waar is en wat onzin. De poortwachter van de onwetendheid doet precies het tegenovergestelde. Die bewaakt niet de antwoorden, maar de vragen.

Waarom wil je dat weten?

Waarom vertrouw je ons niet?

Waarom ben je zo negatief?

Waarom moet alles openbaar?

Het zijn vragen die opvallend vaak opduiken wanneer iemand geen antwoord heeft op de oorspronkelijke vraag. Vaak bij mensen die journalistiek verwarren met een digitale versie van: “Lief dagboek, vandaag heb ik voor het ontbijt al met zes mensen ruzie gemaakt, dus het wordt een mooie dag.”

Misschien was dat uiteindelijk wel de belangrijkste les van het hele experiment. Niet dat AI soms uit zijn nek kletst, dat weet iedereen die er wel eens een vraag in heeft gegooid waarop het antwoord al bekend was. Niet dat journalisten feilbaar zijn, het zijn tenslotte ook maar mensen.

Maar dat toegang geen bewijs is.

Dat zou inmiddels een volstrekt logische constatering moeten zijn, maar lijkt het voor sommige mensen nog altijd een revolutionair idee.

Want toegang klinkt indrukwekkend. Het suggereert kennis en wekt de indruk dat iemand iets weet wat jij niet weet. Misschien is dat ook precies waarom mensen er zo graag in geloven.

Alleen blijft een deur die nooit opengaat uiteindelijk gewoon een muur. En hoe harder iemand blijft roepen dat hij de sleutel heeft, hoe groter de kans dat niemand ooit heeft gecontroleerd of er überhaupt een slot op zit.

Media

Negentien

Over een foto, een borgsom en het verhaal dat de kranten niet vertelden

Er staan zes mensen op de foto. Vijf vrouwen in donkergrijze teamshirts en één man in pak. Minister Tony Burke plaatste hem zelf op X. Op de foto staan Zahra Ghanbari, Fatemeh Pasandideh, Zahra Sarbali, Atefeh Ramezanizadeh en Mona Hamoudi: vijf namen, vijf gezichten en één foto.

Wat er niet op staat zijn de negentien andere vrouwen die op datzelfde moment onder politiebegeleiding naar het vliegveld van Gold Coast werden gereden.

Volgens ooggetuigen leek er een te huilen toen ze richting de bus liep. Volgens de keeper van het team, die een briefje schreef aan Iraniërs in Brisbane, waren hun familieleden in Iran al meegenomen en gegijzeld. Dat briefje staat in het AD, in een bijzin. De foto van Burke staat overal.

Het verschil zit niet in de ernst van wat er gebeurde, maar in wat een verhaal bruikbaar maakt voor nieuws. Zeven vrouwen die in Australië blijven vormen een succesverhaal. Negentien vrouwen die terugkeren vormen een tragedie zonder duidelijke dader. Een systeem dat vrouwen vooraf dwingt hun familie als onderpand achter te laten is daarentegen een verhaal waar bijna niemand het begin van wil maken.

Wat er gebeurde

Het Iraanse vrouwenvoetbalelftal speelde de Asia Cup in Australië. Bij de openingswedstrijd tegen Zuid‑Korea zongen een aantal speelsters het volkslied niet mee. In Iran werd dat vrijwel onmiddellijk als hoogverraad bestempeld. Op de staatstelevisie noemde presentator Mohammad Reza Shahbazi hun weigering het toppunt van schaamteloosheid en er werd openlijk aangedrongen op zware straffen.

Bij de volgende twee wedstrijden zongen ze wel mee en brachten een militair saluut. NRC noteerde dit en verbond er geen conclusie aan.

Na uitschakeling door de Filippijnen vroegen speelsters bescherming. Vijf kregen een humanitair visum. Later sloten zich nog twee anderen aan, maar één van hen keerde kort daarna toch terug. Ze had via teamgenoten contact gekregen met de Iraanse ambassade. De locatie van de zes overgebleven vrouwen moest daarop onmiddellijk worden gewijzigd.

De overige negentien vlogen terug via Kuala Lumpur, omdat het Iraanse luchtruim gesloten was door de oorlog.

Dat is het feitelijke verhaal. Alleen begint het echte verhaal eerder, en daar keken de meeste media liever niet naar.

De borgsom

Voor het toernooi moest de volledige spelersgroep een overeenkomst ondertekenen waarin stond dat niemand asiel zou aanvragen. Aan die belofte hingen hoge borgsommen, met familieleden in Iran als onderpand. Wie toch bescherming vroeg, wist precies wat haar thuisblijvende familie riskeerde.

De Volkskrant noemde dit. Het AD ook, met een toelichting van Iran‑analist Damon Golriz van het Haagsch Instituut voor Geopolitiek, die bevestigde dat dit een vaste werkwijze is van het regime bij internationale sportdelegaties. Geen van beide kranten behandelde het als het centrale feit van het verhaal.

Dat valt op, want het maakt de terugkeer van de negentien vrouwen begrijpelijk op een manier die het woord vrije keuze nauwelijks nog dekt. Wie haar kinderen of ouders als onderpand heeft gegeven, maakt geen vrije keuze. Ze voert een berekening uit, een berekening die het regime al voor haar heeft gemaakt voordat de eerste bal is aangeraakt.

Wie wat schreef

Alle media volgden grofweg dezelfde lijn: het verhaal van de zeven speelsters die in Australië bleven werd groot, de negentien die terugkeerden bleven klein. Alleen verschilde de manier waarop.

NRC maakte er een diplomatiek schouwspel van. Trump verscheen als externe drukfactor, Australië stond in de hoofdrol en vijf vrouwen werden gered. De borgsom ontbrak volledig. Dat negentien vrouwen onder begeleiding werden afgevoerd terwijl er één leek te huilen bleef onvermeld. NRC koos een frame en vulde dat frame van begin tot eind.

De Volkskrant schreef het als een teamdrama. De selectie valt uiteen, speelsters maken keuzes onder druk en de menselijke kant krijgt ruimte. De borgsom stond er wel, net als het feit dat aanvoerster Ghanbari eerder was geschorst nadat haar hijab tijdens een wedstrijd was afgegleden. Maar de krant schreef in twee lagen: het nieuws over de achterblijvende speelsters snel en prominent, de structurele context langzamer en lager in het stuk. Een lezer die doorlas wist meer dan een lezer die vluchtig las, en de meeste lezers lezen vluchtig.

Het AD had het scherpste detail, het briefje van de keeper, maar verpakte het als een dilemma. De vraag werd of Australië genoeg had gedaan, alsof het probleem een gebrek aan westerse daadkracht was en niet een Iraans systeem van familiegijzeling.

Trouw plaatste het in historisch perspectief. Sporters die internationale toernooien gebruiken om te ontsnappen aan repressieve regimes vormen een patroon van decennia. Dat perspectief is waardevol, maar in dat grotere verhaal verdwenen de vrouwen uit beeld. Het SOS‑signaal vanuit de bus, dat Trouw als enige noteerde, bleef staan als een losse observatie.

De Telegraaf maakte er een thriller van. Spanning, onzekerheid, onverwachte wendingen en chaos rond het hotel bepaalden de toon. De politieke achtergrond bleef aanwezig maar vooral als decor.

Internationaal

Ook internationaal werd hetzelfde verhaal verteld, maar met andere accenten.

Associated Press was het meest volledig. Zij schreven als enige dat één speelster eerst bescherming vroeg en daarna toch terugkeerde nadat ze via teamgenoten contact had gekregen met de Iraanse ambassade. De zes overgebleven vrouwen moesten onmiddellijk worden verplaatst. Dat detail laat zien hoe het systeem werkt: niet met geweld op het vliegveld, maar via druk binnen het team zelf.

De BBC en CNN kozen een andere ingang. Beide openden hun stukken met Donald Trump. Dat hij een jaar eerder Iraniërs, inclusief LHBT‑personen die gevaar liepen, had laten deporteren via zijn eigen asielstop kreeg aanzienlijk minder aandacht. Het telefoontje van Trump aan de Australische premier Anthony Albanese kreeg juist veel ruimte, waardoor Trump in meerdere verhalen alsnog de rol van redder kreeg toebedeeld.

The Guardian schreef het als een mensenrechtenverhaal. Al Jazeera plaatste het in geopolitieke context. The Times of Israel benadrukte vooral het veiligheidsrisico. In elk van die verhalen bleef het systeem van borgsommen een detail en nooit het beginpunt.

Geen van deze stukken was feitelijk onjuist. Maar net als in de Nederlandse berichtgeving begon het verhaal vrijwel nergens bij het mechanisme dat deze hele situatie mogelijk maakte.

Het patroon

Wie de Nederlandse en internationale berichtgeving naast elkaar legt, ziet een opvallend patroon. Nederlandse kranten schreven over een team dat uiteenvalt, over diplomatie en over een regering die bescherming bood. Internationale media schreven over geopolitiek, over Trump, over activisten en over veiligheid.

Het lijken verschillende verhalen, maar ze beginnen allemaal op dezelfde plek: bij het moment waarop de vrouwen bescherming vroegen, of bij de foto waarop vijf van hen naast een Australische minister staan.

Dat is een logisch begin voor een nieuwsverhaal. Daar gebeurt iets zichtbaars.

Alleen begint het werkelijke verhaal eerder, namelijk op het moment dat een sporter een contract moet tekenen waarin staat dat zij geen asiel zal aanvragen terwijl haar familieleden in Iran achterblijven als garantie. Vanaf dat moment bestaat de keuze tussen blijven en terugkeren in feite niet meer.

Wat de borgsom betekent

Als een regime vrouwen alleen internationaal laat spelen wanneer zij vooraf schriftelijk beloven niet te vluchten, met hun families als onderpand, dan is de vraag niet of zeven speelsters dapper genoeg waren.

De vraag is waarom internationale sportorganisaties dat systeem überhaupt accepteren.

De AFC zweeg. FIFA stuurde een verklaring waarin stond dat de veiligheid van de speelsters prioriteit had. Craig Foster zei dat geen enkele sportfederatie haar atleten als gijzelaars mag behandelen, maar hij sprak als individuele activist en niet namens een instituut dat iets kan afdwingen.

Welke garanties de AFC had gevraagd voordat Iran tot het toernooi werd toegelaten, is in geen enkel stuk gesteld. Dat is een opvallende stilte voor een sportwereld die doorgaans luid spreekt over waarden, fair play en internationale solidariteit.

Blijkbaar geldt dat riedeltje alleen zolang niemand de verkeerde vraag stelt.

Negentien vrouwen

De negentien vrouwen zijn nu ergens in Iran. Hun namen zijn niet gepubliceerd. Wat hun families is overkomen, is niet bekend. Of het regime de borgsommen heeft opgeëist of families zijn vrijgelaten of vastgehouden is nergens zichtbaar onderzocht. Met de huidige oorlog, machtsverschuivingen en de toenemende wetteloosheid in delen van het land is het bovendien bijna onmogelijk om onafhankelijk te verifiëren wat er gebeurt.

Dat is precies hoe het systeem werkt en waar het op vertrouwt. Het bewind in Iran hoeft niets te doen zodra de vrouwen terug zijn. De stilte doet het werk. Zonder namen, zonder berichten en zonder beelden is er geen verhaal. Zonder verhaal ontstaat er ook geen druk.

De borgsom koopt dus niet alleen gehoorzaamheid vooraf. Hij koopt ook de geopolitieke stilte achteraf.

Atefeh Ramezanizadeh, een van de vijf die bleef, schreef op Instagram dat ze treurt om de speelsters die zijn teruggekeerd. Ze schreef dat ze hen mist en dat het een keuze was die niemand had mogen hoeven maken.

Die zin had het verhaal kunnen zijn. In plaats daarvan werd het een citaat in een stuk over Burke en Trump.

De foto

De foto bestaat uit zes mensen en uit wat er niet op staat. Ze lachen. De minister staat in het midden. Vijf vrouwen dragen het shirt van een elftal dat inmiddels over twee continenten verspreid is.

Het is een uitstekende foto voor een succesverhaal. Succesverhalen zijn zelden onwaar, maar ze zijn meestal onvolledig. En die onvolledigheid is nooit echt neutraal: ze laat zien wie we bereid zijn te tellen als winst en wie we laten verdwijnen zodra de persconferentie voorbij is.

De borgsommen waren geen geheim. De gegijzelde familieleden waren geen geheim. Het briefje van de keeper was geen geheim. Ze stonden in de bronnen, in bijzinnen, wachtend tot iemand ze centraal zou stellen.

Dat is niet wat er gebeurde.

Negentien | bronnen

Media

Billen met bereik

Jutta Leerdam is niet mijn cup of tea. Ik volg haar niet, ik kijk haar stories niet terug en ik heb ook geen enkel probleem met strakke pakken op mijn tijdlijn. Mannelijke schaatslijven worden hier net zo gewaardeerd als vrouwelijke – lang leve het feminisme. Het ijs maakt geen onderscheid en wij ook niet. Maar 6 miljoen volgers alleen al op Insta maken van Leerdam geen eendagsvlieg. Dat is geen misverstand van het algoritme. Dat is een publiek dat waardering heeft voor een sportvrouw van absolute topklasse. Dat is het publiek van iemand die echt iets kan en bereid is daar veel voor te laten.

En een publiek laat zich niet reduceren tot een paar billen, alsof zes miljoen mensen uitsluitend op rondingen reageren.

De discussie die, uiteraard op ‘sociale’ media, volgde op haar weigering om de pers te woord te staan, begon keurig. Bereik is geen argument om de journalistiek te negeren. Wie zichtbaar is, hoort aanspreekbaar te zijn. Ze heeft van alles en niets aan ‘de pers’ te danken, klonk het, alsof miljoenen volgers spontaan uit de lucht vallen dankzij de tussenkomst van een verslaggever.

En toen verschenen de billen. Niet op het ijs, maar in de ‘analyse’ op de website van Chris Klomp, waar rondingen plots een journalistiek argument bleken.

Miljoenen volgers bleken plots te danken aan hoe Jutta Leerdam haar kont in strakke kleding steekt en haar lippen bevallig tuit. Dat was kennelijk relevant voor de vraag of zij journalisten iets verschuldigd is. Alsof zes miljoen mensen collectief hun beoordelingsvermogen verliezen zodra er lycra in beeld verschijnt.

Het is een fascinerende redenering. Een vrouw met bereik is al ongemakkelijk. Een vrouw met bereik én rondingen wordt prompt herleid tot schoonheid zonder inhoud. Een lijf én talent tegelijk blijken voor sommige mannen een te ingewikkelde combinatie.

Het aardige is dat dit debat niet alleen over smaak ging, maar over regels. Of beter gezegd: over het ontbreken ervan.

De regels zijn helder. Topsporters moeten tijdens de Olympische Spelen de mixed zone betreden. Zij zijn niet verplicht interviews te geven. De keuze om zich wel of niet te laten interviewen ligt geheel bij de sporter.

Chris Klomp schreef er een stuk over. Het werd gebracht als een principieel pleidooi voor wederkerigheid, bereik ontslaat niemand van verantwoordelijkheid, blablabla.

Er waren mensen die erop wezen dat er geen enkele verplichting bestaat om de pers te woord te staan. Dat het recht bij de sporter ligt en dat een mixed zone niet hetzelfde is als spreekplicht. Deze mensen hadden gelijk.

En toen kwam er één woord.

“Nope.”

Dat was het antwoord.

Geen inhoudelijk weerwoord. Geen verwijzing naar een gedragscode, geen erkenning dat de regel misschien toch minder rekbaar was dan gehoopt.

Alleen nope.

Er schuilt iets bijna ontroerends in dat woord. Het klinkt stoer, maar verraadt vooral ongeduld, alsof de werkelijkheid zich moet voegen naar zijn ergernis. De mixed zone werd alsnog opgevoerd als bewijs van een plicht die er niet is. Het verschil tussen verschijnen en antwoorden werd achteloos omgebogen tot een morele eis.

Zodra regels geen houvast meer bieden, gaat het ineens over respect en fatsoen. Van anderen, welteverstaan.

En tussendoor, steeds weer, de billen van Jutta.

Het contrast met LinkedIn was bijna aandoenlijk. Daar werd het fenomeen anders geduid. Jaap Stalenburg sprak niet over getuite lippen, maar over logica. Niet over het plaatje, maar over bereik als structurele verschuiving. Hij wees erop dat traditionele media zelf allang datagedreven opereren en dat dit geen botsing is tussen ego en journalistiek, maar tussen twee systemen die allebei leven van aandacht.

Dat is een analyse.

Ze is een ware heldin. De diva die van haar troontje stapt om het gepeupel te woord te staan. Chapeau heur.

Op X ging het over karakter en toon, over diva’s en fatsoen. Op LinkedIn ging het over structuur, over veranderende verhoudingen. Waar het ene platform bereik reduceerde tot lichaam, erkende het andere dat bereik inmiddels een machtsfactor is.

Opvallend genoeg bleef die analyse op X vrijwel onbesproken. Zeker door Chris Klomp, die bleef hameren op norm en houding, terwijl het fundament onder zijn verontwaardiging al was verdwenen.

Het is verleidelijk om dat jaloezie te noemen. Dat is het misschien niet eens. Wat het eerder verraadt, is beroepsfrustratie.

Een sporter met zes miljoen volgers is niet langer afhankelijk van de microfoon in de mixed zone. Zij kan zelf kiezen wanneer zij spreekt, wat zij zegt en tegen wie. Dat is even slikken voor een beroep dat gewend was te bepalen wie zichtbaar werd en wanneer.

Zichtbaarheid is niet meer schaars en bereik evenmin. Wat verandert, is wie bepaalt wat er in beeld komt en wie er nog iets over te zeggen heeft.

En precies daar ging iemand met de billen bloot en het was niet Jutta Leerdam.

Niet omdat hij het woord kont gebruikte of omdat hij ironisch wilde zijn. Maar omdat hij liet zien hoe moeilijk het is om te erkennen dat macht verschuift.

Wie vrouwelijke populariteit terugbrengt tot een Instagramaccount met een kont, probeert haar kleiner te maken dan zij is. Wie dan toch blijft volhouden dat er een verplichting was, terwijl die er aantoonbaar niet is, laat vooral zien hoe graag hij gelijk wil hebben.

Dat is misschien goed voor de bubbelbühne, waar applaus belangrijker is dan feiten. Het is alleen geen sterke analyse.

Zes miljoen volgers zijn een feit en een bereik waar veel redacties alleen van kunnen dromen.

Je kunt die schaal wegwuiven als een derrière in lycra. Of je kunt erkennen dat mediamacht niet langer exclusief is.

De eerste reactie klinkt stoer en scoort snel, de tweede vraagt dat je jezelf even buiten beeld zet.Op LinkedIn werd die reflectie geboden. Op X werd zij overschreeuwd. En ergens tussen mixed zone en “nope” werd zichtbaar wie hier werkelijk met de billen bloot ging.

Wat de journalistiek hier laat liggen, is veel interessanter dan een genegeerde microfoon.
Niet de vraag óf zij had moeten spreken, maar waarover.

Wie zes miljoen volgers heeft en zich publiekelijk verbindt aan iemand als Jake Paul, begeeft zich in een wereld waar entertainment, politiek en ideologie moeiteloos door elkaar lopen. Dáár liggen vragen. Over invloed, verantwoordelijkheid en over de ideeën die je zichtbaar naast je laat bestaan.

Maar die vragen hoor je niet.

Kennelijk is het eenvoudiger om te schrijven over lycra dan om voor een draaiende camera te vragen wat zij vindt van de publieke standpunten van haar partner. Dat laatste vraagt lef. Het eerste vraagt alleen een mening.

Je laten interviewen is geen journalistieke opdracht. Doorvragen wanneer het gebeurt wel.

En juist daar blijft het opvallend stil.

Billen met bereik | bronnen

Media

De feeks, de heks en het lek

De val van informateur Hans Wijers begon met één lek en eindigde in een morele storm die groter werd dan menig formatiedossier. Dat alles vanwege één woord in een appje.

Dat woord was “feeks”. Toch leidde het dit keer tot een politieke afstraffing die in jaren zijn weerga niet kende. En terwijl Den Haag struikelde over dit ene bericht, drong zich een ongemakkelijke vergelijking op: Sigrid Kaag werd jarenlang als heks weggezet – compleet met bezem naast de Twin Towers – zonder dat er iemand opstapte of een formatie ontspoorde.

Het verschil tussen heks en feeks zit niet in de ernst van het woord, maar in wie het uitspreekt en wanneer het politiek uitkomt.

Wat er feitelijk gebeurde: twee momenten, één val

De affaire rond Wijers draait om twee momenten.

Moment 1: de verkiezingsavond

NRC schreef dat Hans Wijers Dilan Yesilgöz die avond een “leugenaar” zou hebben genoemd. Maar Eric Smit, die naast hem stond, zei direct dat híj die woorden had uitgesproken. AD en de Volkskrant bevestigden dat. Toch bleef NRC de uitspraak aan Wijers koppelen, zonder opname, citaat of bewijs.

Moment 2: het appje

Toen die eerste lezing begon te wankelen, kwam NRC met een tweede onthulling: een oud appje uit een kleine D66-groep waarin Wijers sprak over “die feeks van de VVD”. De context ontbrak, de timing ook, maar het oordeel lag vast. Binnen 24 uur trad hij af.

Geen schandaal, geen gelekte staatsgeheimen.
Één woord, één appje, één storm.

Wie lekte – en waarom nu?

Het appje ging rond in een kleine D66-groep: Wijers, Eric Smit, Willem Sijthoff en een paar anderen. Het Parool meldde dat Sijthoff zich publiekelijk moest distantiëren van het lek. Sheila Sitalsing schreef dat dezelfde bron achter beide onthullingen zat. Trouw noteerde dat NRC’s tweede scoop precies verscheen op het moment dat de eerste begon te wankelen.

De vraag wie lekte is daardoor eenvoudiger dan de meeste verslaggevers opschreven: het lek kwam uit de D66-kring rond Wijers. En het kwam naar buiten toen het politiek het meest uitkwam. Niet uit integriteit, maar uit timing.

Dit was geen morele zuivering, maar een machtsspel dat werd verpakt als verontwaardiging.

Feitelijke vergelijking: wie schreef wat?

De berichtgeving over Wijers laat zien hoe zes kranten hetzelfde feit totaal anders framen. Niet omdat de feiten verschillen, maar omdat elke redactie vanuit een eigen reflex, belang of bubbel schrijft. Hieronder de vergelijking op basis van alle stukken.

NRC | De aanklager, rechter én verslaggever in één

NRC bracht zowel de eerste als de tweede onthulling en zette zichzelf daarmee midden in het verhaal. De krant sprak in zware termen – “dedain”, “ongepast”, “onhoudbaar” – terwijl het bewijs beperkt bleef tot “meerdere bronnen” die niet werden getoond. Toen Eric Smit verklaarde dat híj de omstreden woorden op verkiezingsavond had uitgesproken, begon NRC’s reconstructie te wankelen. Maar nog voordat die twijfel kon landen, volgde een tweede onthulling: het appje. Dat werd gepresenteerd als een morele knock-out. Zo hield NRC de eerder ingezette lijn overeind.

Opvallend is wat NRC níét deed: geen reflectie op de eigen rol, geen uitleg waarom geen enkel bewijs openbaar werd gemaakt, en geen enkele vergelijking met eerdere, veel hardere aanvallen op vrouwelijke politici. Extra wrang is dat uitgerekend NRC zelf in 2021 een cartoon van Ruben Oppenheimer publiceerde waarin Kaag als heks op een bezem richting de Twin Towers vliegt – op 11 september. Over smaak valt te twisten, maar over dubbele standaarden iets minder. NRC opereerde in deze affaire dan ook minder als waakhond en meer als regisseur.

De Telegraaf | Politieke munitie in chocoladeletters

De Telegraaf nam de NRC-onthullingen gretig over maar gebruikte ze vooral als aanvalswapen tegen D66. In de stukken van Wouter de Winther verdwenen alle nuances: D66 was hypocriet, de VVD slachtoffer en JA21 “terecht gepikeerd”. De krant strooide met woorden als “blunder”, “diskwalificeert zichzelf” en “rommelige start” en haalde Kaags eerdere behandeling als “heks” erbij. Niet om een dubbele standaard bloot te leggen, maar om D66 weg te zetten als inconsequent. De herkomst van het lek kwam geen moment ter sprake.

De Telegraaf biedt politieke positionering, geen zoektocht naar waarheid.

Volkskrant | Tussen nuchtere verslaggeving en scherpe column

De Volkskrant bestond in deze affaire uit twee sporen. De nieuwsredactie nam de NRC-reconstructie vrijwel volledig over. Ze meldde wel dat Eric Smit de omstreden woorden zelf had uitgesproken, maar verbond daar geen conclusie aan – en schreef vooral over vertraging in de formatie en “slecht gesternte” zonder de rol van de lekken echt te analyseren.

Heel anders was de toon in de column van Sheila Sitalsing. Zij was de enige die het koor doorbrak. Ze schreef dat de eerste onthulling waarschijnlijk was gebaseerd op fout bronmateriaal, noemde de tweede scoop een rookgordijn uit dezelfde hoek en typeerde het geheel als “kluitjesvoetbal” tussen politiek en journalistiek.

AD | De dramaturgische reconstructie

AD koos voor de vorm van een kroniek: reconstructies op de minuut, een woordenbrij (“dramatische persconferentie”, “lelijk appje”, “twintig uur informateur”) en een stoet aan citaten van politici die op elkaar reageren. De correctie van Eric Smit wordt wel genoemd maar niet echt verwerkt, waardoor AD dezelfde bocht neemt als veel andere kranten: als NRC het zegt, zal het wel kloppen.

Trouw | Klinisch, maar daardoor bijna blind

Trouw houdt afstand van de emotie: feitelijk, voorzichtig en zonder grote woorden. De krant noteerde als enige dat NRC’s tweede onthulling precies verscheen toen de eerste begon te wankelen. Maar daar bleef het bij. Er volgde geen vraag naar motieven, geen analyse en geen context. De observatie stond er, kaal en onaf, alsof het niet méér betekende dan een toevallige timing.

Trouw is daarmee neutraal op een manier die soms lijkt op wegkijken.

Het Parool | Menselijk, verhalend, maar toch volgend

Het Parool is het meest nabij in toon. De krant laat politici spreken, benoemt voorzichtig de twijfel (“waren het wel zijn woorden?”) en beschrijft hoe Yesilgöz via-via hoorde dat ze “feeks” was genoemd. Ook Parool leunt op de NRC-reconstructie. De vraag naar de herkomst van het lek wordt wel gesteld maar niet doorgetrokken, waardoor de krant het verhaal volgt zoals het wordt aangereikt. Het resultaat is een middenpositie tussen AD’s verhalende stijl en de aarzelende twijfels bij de Volkskrant, maar zonder de kernvraag te stellen: wie stuurt dit?

De gemiste vragen (en waarom dat telt):

Alle kranten, behalve één column, laten drie belangrijke vragen liggen:

Waarom leidt een privé-appje tot een politieke val, terwijl vier jaar openlijke heks-retoriek richting Kaag nooit als breekpunt werd gezien?

Waarom wordt de rol van NRC niet onderzocht, terwijl dezelfde krant zowel de onthullingen brengt als het morele oordeel velt?

En waarom vraagt niemand wie het appje heeft gedeeld, terwijl juist dat lek de politieke uitkomst bepaalde?

Dat die vragen niet worden gesteld zegt veel: redacties volgen elkaar en bedienen vooral hun eigen bubbel. Daarbij vergeten ze de rol die ze eigenlijk horen te vervullen: die van vierde macht, de poortwachter van de democratie.

Kaag, heks en de verdwenen norm

Zet dit naast de behandeling van Sigrid Kaag en het contrast springt in het oog. Jarenlang werd zij openlijk als heks weggezet: Wilders die haar zo noemde op X, een cartoon waarin ze op een bezem langs de Twin Towers vliegt, en herhaalde posts waarin hij haar afschilderde als “de vrouw die ons land afbreekt”. Het was geen grap of losse oprisping, maar een publiek vijandbeeld dat uiteindelijk leidde tot beveiliging.

Toch had die retoriek geen enkele politieke consequentie. Geen informateur viel, geen formatie ontspoorde, geen partijleider stelde dat samenwerken met iemand die een minister “heks” noemt onmogelijk was. De heks-retoriek werd behandeld als folklore, als iets waar je als politicus maar tegen moet kunnen.

Daartegenover staat de affaire-Wijers: één woord in een besloten appgroep leidde tot een politieke executie. Niet omdat “feeks” ernstiger is dan “heks”, maar omdat het woord op het juiste moment bruikbaar werd gemaakt.

Het draait dus niet om het woord zelf, maar om de timing en het doelwit.

De (on)geloofwaardigheid van Yesilgöz

De verontwaardiging over het woord “feeks” klinkt harder wanneer het doelwit zelf als vlekkeloos wordt neergezet. Maar dat beeld klopt niet. Yesilgöz lag als minister van Justitie juist onder vuur vanwege aantoonbaar onjuiste uitspraken over het dossier nareis-op-nareis.

In talkshows, interviews en Kamerdebatten beweerde ze dat het om “duizenden mensen” ging en dat dit de asielinstroom fors vergrootte. De officiële analyse van de IND laat echter iets heel anders zien: over vijf jaar tijd ging het om 880 aanvragen waarvan er 350 zijn ingewilligd – goed voor ongeveer één procent van alle nareiszaken. Het ging dus om tientallen per jaar.

Toch bleef Yesilgöz deze hogere aantallen herhalen. In de Volkskrant zei ze zelfs: “Het gaat over duizenden mensen – hoeveel exact weten we niet.” In het Kamerdebat erover spraken partijen van “fabels”, “misleiding” en “belazeren van Nederland”. Volt en SP dienden een motie van wantrouwen in. Zelfs CDA en NSC erkenden dat haar informatie niet klopte.

Feit blijft: Yesilgöz verspreidde aantoonbaar onjuiste cijfers over een belangrijk dossier, met directe gevolgen voor het debat en de beeldvorming. En toch had dat geen politieke consequenties. Geen crisis, geen formatiestop, geen morele verontwaardiging die dagenlang het nieuws beheerste.

Dat contrasteert scherp met de affaire-Wijers. Een privéwoord leidde tot een politieke executie. Bewezen onwaarheden in een beleidsdossier leidden tot … niets. Wat “onverantwoord gedrag” is, blijkt dus minder af te hangen van de feiten dan van wie het zegt en wanneer het uitkomt.

Waarom dit verhaal stinkt

Het stinkt omdat dezelfde woorden anders worden gewogen afhankelijk van wie ze uitspreekt. De morele maat verschuift met de politieke wind: wat gisteren folklore was, is vandaag een doodzonde. Een privéwoord als “feeks” werd fataal voor een informateur, terwijl “heks” – jarenlang herhaald, publiek en gericht op één persoon – nooit tot politieke gevolgen leidde.

Het stinkt ook omdat het lek uit de eigen D66-kring kwam, maar niemand die vraag wil stellen. Omdat NRC eerst een wankel frame bouwde en dat frame repareerde met een tweede lek zodra de eerste versie begon te wankelen. De krant die onthult, velde ook het morele oordeel – zonder bewijs – en werd zo speler in plaats van scheidsrechter. Andere media volgden braaf, alsof één bron voldoende is om het hele politieke speelveld te bepalen.

Ondertussen bleven aantoonbaar onjuiste cijfers van Yesilgöz zonder gevolgen, terwijl Kaag vier jaar lang kon worden gedehumaniseerd zonder dat iemand een grens trok. Niemand benoemde het motief van het lek, terwijl juist dat lek de uitkomst bepaalde. En de enige vraag die ertoe doet – wie profiteert hiervan? – werd zorgvuldig ontweken.

Wie goed kijkt, ziet geen incident maar een patroon. Een systeem waarin verontwaardiging selectief wordt aangezet, media machtsfactor worden en politieke schade strategisch wordt uitgedeeld.

De affaire-Wijers bewijst één ding: in Den Haag geldt niet wat je zegt, maar wie er belang bij heeft dat je het níet meer kunt zeggen. “Feeks” was geen grens, het was een kans. En de poortwachters van de democratie? Die stonden erbij, keken ernaar en holden daarna enthousiast achter het lek aan als een dronken vriendenteam dat denkt dat het kampioen is. De bubbelbühne tot op het bot ontmaskerd.

Benieuwd waar al die frames, feiten en fabels vandaan kwamen? Klik hier voor de bronnen.

Naschrift

Kort na publicatie van dit artikel stuurde NRC een nieuwsbrief rond waarin de krant toelichtte waarom de berichtgeving over Hans Wijers volgens haar journalistiek gerechtvaardigd was. Die toelichting roept echter meer vragen op dan ze beantwoordt.

NRC schrijft dat “veertien bronnen” bevestigden dat Wijers op verkiezingsavond bepaalde woorden zou hebben gebruikt, maar laat volledig in het midden wie die bronnen zijn, wat zij precies hebben gehoord en of het directe of indirecte getuigen waren. Dat Eric Smit – die letterlijk naast Wijers stond en verklaarde dat híj het woord had uitgesproken – wordt weggezet als iemand die zich “anders herinnert”, maakt vooral duidelijk hoe onduidelijk de kwaliteit van die veertien bronnen is.

De krant stelt ook dat het appje “geverifieerd” was. Wat dat verificatieproces precies inhield blijft onbekend: geen datum, geen context, geen bron, geen technische bevestiging. De lezer moet genoegen nemen met het etiket, niet met het bewijs.

Opmerkelijk is bovendien dat NRC zelf bevestigt dat vragen over het appje aan Wijers werden gesteld op het moment dat hun eerdere reconstructie begon te wankelen. Dat het appje juist dán opdook, in een zeer kleine D66-kring, zegt vooral iets over timing en over hoe lekken en publicaties elkaar kunnen versterken.

Deze nieuwsbrief beantwoordde dus niet de centrale vraag die boven dit dossier blijft hangen: wie bepaalt in Nederland wanneer iets een schandaal is? En minstens zo belangrijk: waarom precies op dat moment?

Media

Apartheid en de media

“I swore never to be silent whenever and wherever human beings endure suffering and humiliation. We must take sides. Neutrality helps the oppressor, never the victim. Silence encourages the tormentor, never the tormented.”

Wie zwijgt, kiest de kant van de onderdrukker, zei Elie Wiesel. Toch blijft het in Nederlandse en Europese media opvallend stil over iets wat internationale mensenrechtenorganisaties steeds explicieter benoemen: de Israëlische apartheid.

In april 2021 publiceerde Human Rights Watch een uitgebreid rapport waarin Israël wordt aangeduid als een apartheidsstaat, met de expliciete oproep om die term ook zo te gebruiken. Enkele maanden eerder trok de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem dezelfde conclusie. Beide rapporten kwamen van internationaal gerespecteerde organisaties, maar kregen nauwelijks aandacht in de Nederlandse media. Het later verschenen rapport van Amnesty International onderging hetzelfde lot. In plaats van inhoudelijke journalistieke duiding verschoof het debat vooral naar sociale media, waar kritiek op de staat Israël routinematig werd weggezet als antisemitisme.

Dat is opmerkelijk, omdat deze drie rapporten, verschenen binnen één jaar, fundamentele vragen oproepen over structurele mensenrechtenschendingen en de behandeling van de Palestijnse bevolking. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de manier waarop over apartheid in relatie tot Israël wordt gesproken, de afgelopen jaren verschuift. Binnen de wetenschap, bij mensenrechtenorganisaties en in internationale media is die verandering duidelijk merkbaar. Alleen de Noordwest-Europese pers lijkt achter te blijven, met weinig diepgravende analyses of hoofdredactionele reflectie.

Ha’aretz en het woord apartheid

Voor dit artikel onderzocht ik hoe Israëlische media schrijven over apartheid, met een focus op dagblad Ha’aretz. Deze krant staat bekend als een onafhankelijke kwaliteitskrant, liberaal van toon en invloedrijk binnen het publieke debat. Via Factiva analyseerde ik het gebruik van het woord ‘apartheid’ in Ha’aretz tussen januari 2017 en januari 2022. Dat leverde 915 artikelen op.

Niet alleen de frequentie is relevant, maar ook de context. Verschijnt het woord in de kop of alleen in een citaat? Wordt het centraal gebruikt of terloops genoemd? En misschien nog belangrijker: staat het tussen aanhalingstekens, of niet? Aanhalingstekens fungeren vaak als een subtiel signaal dat een term als omstreden of niet-legitiem wordt gepresenteerd.

Wat opvalt, is dat de toon in recente artikelen duidelijk verschilt van eerdere jaren. Waar Ha’aretz lange tijd dicht bij het officiële narratief van de staat Israël bleef, sluit de berichtgeving steeds vaker aan bij een verschuivende publieke opinie. Het woord apartheid verschijnt vaker en steeds vaker zonder distantie, al zal het waarschijnlijk nog tijd kosten voordat het begrip volledig wordt geaccepteerd in het bredere debat.

Geloofwaardigheid en weerstand

De term apartheid blijft politiek beladen. In diplomatieke en publieke contexten wordt nog vaak gesproken over ‘tijdelijke bezetting’, een kwalificatie die na meer dan vijftig jaar vooral vragen oproept. De Israëlische politicoloog Oren Yiftachel wees er in 2021 op dat apartheid verschillende vormen kent en niet één op één hoeft overeen te komen met het Zuid-Afrikaanse model.

Intussen gelooft vrijwel niemand nog serieus in een levensvatbare tweestatenoplossing. Wel wint een alternatief denkmodel terrein, zoals A Land for All, een Israëlisch-Palestijnse beweging die pleit voor gedeelde soevereiniteit, gelijke rechten en vrijheid van beweging voor alle inwoners. Een van de initiatiefnemers is journalist Meron Rapoport, die al jaren pleit voor een radicaal ander perspectief op het conflict.

De geloofwaardigheid van Ha’aretz speelt hierin een rol. Al in 2007 concludeerden onderzoekers in het tijdschrift International Security dat analyses en opiniestukken in onder andere Ha’aretz zelden inhoudelijk ter discussie worden gesteld, vanwege hun feitelijke nauwkeurigheid en onderbouwing. Mede daarom kon Human Rights Watch uitgebreid naar de krant verwijzen zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.

Afwijzing door identificatie

De afwijzing van het woord apartheid onder veel Israëli’s hangt nauw samen met de overtuiging dat de staat zich uitsluitend verdedigt tegen terrorisme. Illegale nederzettingen worden door grote delen van de bevolking geaccepteerd, net als de realiteit waarin miljoenen Palestijnen structureel minder rechten hebben. Daarmee staat Israël voor een keuze die vergelijkbaar is met die van Zuid-Afrika destijds: een beweging richting gelijkheid, of het bestendigen van een systeem van structurele ongelijkheid.

Dat het begrip apartheid polariseert, is duidelijk. Veel Israëlische wetenschappers en journalisten vermijden het bewust, uit angst voor reputatieschade voor de staat en voor de Joodse identiteit als geheel. Tegen die achtergrond is de ontwikkeling bij Ha’aretz opvallend. De krant gebruikt het woord steeds vaker zonder aanhalingstekens, zowel in koppen als in de lopende tekst. Dat wijst op een betekenisvolle verschuiving.

Opinie en taalgebruik

In oktober 2021 schreef voormalig plaatsvervangend procureur-generaal Yehudit Karp over de terughoudendheid rond het gebruik van het woord apartheid. Volgens haar haken veel lezers af zodra Israël met dat begrip in verband wordt gebracht. Apartheid hoort, in die beleving, bij Zuid-Afrika tussen 1948 en 1990, niet bij Israël. Wie het woord toch gebruikt, wordt al snel gezien als een radicaallinkse criticus of als iemand met antisemitische motieven.

Toch laat onderzoek zien dat Ha’aretz al jaren aandacht besteedt aan de humanitaire gevolgen van bezetting en nederzettingen, lang voordat Europese en Amerikaanse media dat structureel deden. Inmiddels gebruiken steeds meer Joodse en Israëlische critici de term openlijk, van journalisten en academici tot bloggers.

Een nieuwe toon

In recente artikelen schrijft Ha’aretz steeds kritischer over corruptie binnen de Israëlische regering, over morele twijfel na jarenlange militaire dienst en over het doden van Palestijnse kinderen bij vergeldingsaanvallen die nauwelijks nog nieuwswaarde lijken te hebben. De krant analyseert hoe radicale islam wordt ingezet als rechtvaardiging voor voortdurende bezetting, en bekritiseert de quasi-neutraliteit van de Israëlische regering ten aanzien van Rusland, terwijl de Holocaust wordt herdacht en tegelijk wordt gesproken over een nieuwe genocide in Europa.

Daarnaast beschrijft Ha’aretz structurele schendingen van Palestijnse basisrechten: huisvernietigingen, bewegingsbeperkingen en een dagelijkse realiteit van ongelijkheid. Zelfs wanneer het woord apartheid niet expliciet valt, zijn de gevolgen zichtbaar. Ook waarschuwt de krant voor de rol van desinformatie en geruchten, die via sociale media kunnen leiden tot geweld, vooral rond explosieve plekken als de Tempelberg.

Het besef groeit dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de internationale gemeenschap de kwalificatie ‘apartheid’ overneemt, met alle politieke gevolgen van dien.

Woorden doen ertoe

Woorden doen ertoe. Media kiezen ze zorgvuldig, niet alleen om te informeren, maar ook om het publieke debat vorm te geven. Taal beïnvloedt hoe standpunten ontstaan en verschuiven. In een geglobaliseerd medialandschap, waarin Ha’aretz via zijn Engelstalige editie een internationaal publiek bereikt, speelt die woordkeuze een steeds grotere rol.

Volgens jurist John Dugard is de belangrijkste reden dat Europese media het woord apartheid vermijden de angst om van antisemitisme te worden beschuldigd. Zolang het onderscheid tussen antisemitisme en kritiek op Israëlisch beleid vervaagd blijft, wordt fundamentele discussie uit de weg gegaan.

Maar zoals Elie Wiesel al zei: neutraliteit helpt de onderdrukker, nooit het slachtoffer. En zolang het woord apartheid uit angst wordt gemeden, blijft het onrecht ongemerkt voortbestaan.

Deze tekst is een samenvatting van een analyse die werd geschreven en gepubliceerd in januari 2022, ruim vóór 7 oktober 2023, als onderdeel van een internationaal project.

Het woord dat iedereen vermijdt | b r o n n e n