Samenleving

De steen van het volk

In Dordrecht filmt Pieter Rambags, op TikTok bekend als @Pete_Guitar, zichzelf bij de Stolpersteine in de stad. Kleine messing steentjes in de stoep, met een naam, een geboortedatum en een plaats. Ooit, zegt hij, vond hij dit een sympathiek gebaar om de Jodenvervolging te herdenken. Nu niet meer. Nu hebben deze stenen voor hem “een nare nasmaak”.

Want, zo vervolgt hij, elke keer dat hij ze ziet realiseert hij zich dat “een slachtoffer zelf tot dader kan worden”. En dan valt de zin die alles verschuift: “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Die zin doet iets wat de steen zelf niet doet. De steen noemt een naam, de zin noemt een volk.

Ik maakte jaren geleden een foto van vier Stolpersteine in Amsterdam, op de hoek van de Willemsparkweg en de Alexander Boersstraat, in het Museumkwartier. Querido, stond er vier keer. Jacob. Klara. Rebecca. Duifje. Jacob, de naamgenoot van mijn opa, vermoord in 1943. De drie anderen, ondergedoken op verschillende locaties, met overleefd op het steentje.

Ik groeide om de hoek op, in de Jacob Obrechtstraat. Als klein meisje in de jaren ’70 woonde ik bij mijn opa en oma. Die straten waren toen gewoon straten, waar je buiten speelde met je fiets – die niet op slot moest als je met het touwtje uit de brievenbus even naar binnen ging. Melkboer op de hoek, de tram die rinkelde, brede trottoirs waar je speelde met krijt zonder klagende buren. Pas veel later begreep ik hoeveel namen er ontbraken.

In 2023 liep ik opnieuw door deze buurt, dit keer met mijn jongste zoon. We liepen langs de Obrechtsjoel, langs de Obrechtkerk waar mijn opa schuin tegenover zijn bloemenkraam had. We lunchten bij Van Dam en gniffelden om wat we thuis in Noordwijk stiekem hockeyloedermoeders noemden, import met een bakfiets. Ik vertelde over mijn vriendje aan de overkant dat op schermen zat, over verkleedpartijen in witte pakken en maskers, over spelen in het Vondelpark en het Rembrandtpark en verplichte danslessen bij Dansschool Oostveen aan de Overtoom.

Onderweg naar de oude Jodenbuurt kwamen we de Stolpersteine van de familie Querido tegen, en nog meer kleine steentjes op andere plekken in de stad. Ik vertelde over onderduiken, over Auschwitz en mijn familie, over hoe mensen soms uit hun eigen straat verdwijnen en alleen nog een naam achterlaten. En soms, zoals bij mijn andere oma, zelfs hun naam in hun land van herkomst moeten achterlaten om te kunnen vluchten.

We stopten bij de steentjes en lazen wat er stond. Hij was negentien, ik hoefde niets uit te leggen. De woorden spraken voor zich, een drama op een steentje van tien bij tien centimeter.

Later die middag zochten we de namen opnieuw op bij het Nationaal Holocaust Namenmonument, naast het Joods Museum. Rijen bakstenen, duizenden namen. Querido verscheen opnieuw, meerdere keren. Met leeftijden erachter. 80 jaar. 13 jaar. 17 jaar.

Misschien is dat de kern van wat herdenken probeert te doen. Niet het leed op grote schaal vangen, maar een naam blijven uitspreken.

Misschien is dat ook waarom die video uit Dordrecht zo schuurt. Omdat hij precies het omgekeerde doet.

Waar de steen een naam noemt, noemt de man een volk. Waar het steentje niets anders doet dan registreren wie ergens woonde, maakt Rambags van diezelfde geschiedenis een morele categorie.

Elke keer als ik deze stenen zie, kijk ik weg. Want zij vertegenwoordigen voor mij het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien. Namelijk een volk dat is verworden tot een genocidale soort.

Hij heeft het niet over een kabinet. Niet over een premier. Niet over een militaire operatie of een juridische kwalificatie. Hij heeft het over “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Dat woord, soort, blijft hangen. Het is geen politieke of juridische term. Het is een woord dat over mensen gaat.

Dat is iets anders dan terechte kritiek op beleid of oorlog.

Wie het handelen van een staat vertaalt naar de aard van een volk, maakt van afkomst een verwijt. Dan verdwijnen namen. Dan blijft er geen Jacob of Klara of Duifje meer over, maar een groep mensen die moet opdraaien voor wat een regering doet, in een land waar ze nooit zijn geweest.

Het is een verleiding van deze tijd. Sociale media met snelle meningen, conflicten die groot, groter, grootst moeten zijn om te scoren. Honderdduizenden worden in één adem miljoenen. Dan volgen de woorden als genocide, apartheid, zuivering. Uitgesproken met een gemak alsof het bijvoeglijke naamwoorden zijn. Zware woorden, ingezet als morele knuppels.

Maar wat er in Dordrecht gebeurt, is geen juridisch debat. Het is een generalisatie waarin een volk als volk wordt veroordeeld. Dat heeft een naam: antisemitisme.

In dezelfde adem waarin wordt verwezen naar de Holocaust, wordt die ook gerelativeerd, alsof leed met elkaar moet concurreren. In het filmpje zegt hij dat de struikelsteentjes voor hem “het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien” vertegenwoordigen. Niet het nazisme, de vernietigingskampen, de onmenselijke wreedheden. Maar een volk dat volgens hem is “verworden tot een genocidale soort”. Vervolgens volgen de aantallen. Honderdduizenden. Miljoenen. En dan die zin: “En daarmee verschaalt hun Holocaust.”

De herinnering aan de Holocaust wordt ingezet om het verleden te herschrijven, zodat het heden kan worden veroordeeld. In dat herschikken wordt de Holocaust een argument in plaats van een geschiedenis. Dat is niet herdenken, dat is misbruiken.

Herdenken, écht herdenken, werkt anders. Het zoekt geen ranglijst van ellende. Het begint klein. Bij een naam die wordt uitgesproken, niet bij een morele wedstrijd.

Op het Jonas Daniël Meijerplein wordt ieder jaar de Februaristaking herdacht. Een concrete daad van verzet tegen razzia’s in eigen straten, tegen buren die werden weggevoerd. Georganiseerd door de toen illegale CPN, het enige massale en openlijke protest in bezet Amsterdam tegen de Jodenvervolging.

Twee dagen lag de stad stil. Trams reden niet, fabrieken draaiden niet, werk werd neergelegd omdat mensen weigerden te doen alsof er niets gebeurde. Daarna werd de staking door de Duitsers met geweld gebroken. Er vielen doden, er volgden arrestaties, mensen raakten hun baan kwijt en kwamen in armoede terecht. En terwijl de bezetter de orde herstelde, werd ook vanuit het Amsterdamse gemeentebestuur aangedrongen op hervatting van het werk. De stad moest weer functioneren. Het werk ging voor.

Dit jaar waren er tijdens de herdenking ook andere symbolen zichtbaar. Een vlag van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, een organisatie die op de EU-terreurlijst staat. Spandoeken tegen de bezetting, geknielde demonstranten met blinddoeken, soms onder het toeziend oog of toegejuicht door docenten die meer tijd en energie in actievoeren stoppen dan in hun collegereeksen.

Dat spanningsveld beperkt zich niet tot het plein zelf. In het debat rond de Gaza-demonstraties wordt inmiddels ook gekeken naar de netwerken achter de mobilisatie. Zo wees Carel Brendel recent op de rol van onder meer PGNL en AGD als terugkerende organisatoren van straatprotesten en verbond hij die aan bredere pro-Hamas-structuren in Europa. Die analyse kan worden betwist of onderschreven, maar zij laat zien hoe snel herdenken, demonstreren en geopolitieke netwerken in één frame terechtkomen.

Herdenkingen gaan met de tijd mee. Ze worden telkens opnieuw geïnterpreteerd en het is niet vreemd dat het heden zich mengt met het verleden. Dat gebeurde altijd al. Maar er is een verschil tussen meegaan met de tijd en het kapen van herdenken voor een eigen agenda.

Wanneer tijdens een herdenking van Jodenvervolging een volk als genocidaal wordt bestempeld, verandert er iets wezenlijks. Dan wordt herinnering geen waarschuwing meer, maar munitie.

De stap van staat naar volk is klein in taal, maar groot in betekenis. Populisten weten dat al jaren, activisten nu ook.

Israël is een staat. Met verkiezingen, interne verdeeldheid, demonstraties, rechters, dienstplichtigen die niet of juist heel graag willen dienen, en burgers die het oneens zijn met hun regering of er juist vol overtuiging achter staan. Joden vormen een volk, verspreid over landen, met uiteenlopende overtuigingen, religieuze en seculiere tradities, politieke posities die elkaar soms fel bestrijden.

Wanneer het handelen van de één wordt vertaald naar de schuld van de ander, ontstaat er een glijdende schaal. Niet luid, niet met hakenkruizen, maar met zinnen en en filmpjes van mensen die zichzelf rechtvaardig noemen.

Het antisemitisme van deze tijd komt zelden met openlijke haat. Het verschijnt als morele omkering of wordt verscholen achter de term zionisme. Niet de Jood als minderwaardig, maar de Jood als moreel tekortschietend. Niet het individu, maar het collectief.

Het zegt: kijk, zij doen nu wat zij ooit hebben ondergaan.

Terug naar die middag in Amsterdam. Naar de stenen, museum en het monument. Naar Querido, meerdere keren, met leeftijden erachter. Er is een oud Joods gezegde: je bent pas dood als je naam niet meer genoemd wordt.

Misschien is dat wat er op het spel staat wanneer namen weer volk worden en volk weer soort. Dat we ophouden met het noemen van namen en het zien van mensen en beginnen met het plakken van een label.

De steen verandert niet als iemand hem filmt en een volk veroordeelt. De baksteen in het Namenmonument blijft dezelfde naam dragen, ongeacht welke vlag er op een plein wappert.

Maar taal verandert wel.

En taal is zelden onschuldig wanneer zij van een naam een collectieve schuld maakt. En precies in die verschuiving vindt antisemitisme telkens een nieuwe vorm.

De steen van het volk | bronnen

Video geplaatst door Pieter Rambags

Media

Apartheid en de media

“I swore never to be silent whenever and wherever human beings endure suffering and humiliation. We must take sides. Neutrality helps the oppressor, never the victim. Silence encourages the tormentor, never the tormented.”

Wie zwijgt, kiest de kant van de onderdrukker, zei Elie Wiesel. Toch blijft het in Nederlandse en Europese media opvallend stil over iets wat internationale mensenrechtenorganisaties steeds explicieter benoemen: de Israëlische apartheid.

In april 2021 publiceerde Human Rights Watch een uitgebreid rapport waarin Israël wordt aangeduid als een apartheidsstaat, met de expliciete oproep om die term ook zo te gebruiken. Enkele maanden eerder trok de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem dezelfde conclusie. Beide rapporten kwamen van internationaal gerespecteerde organisaties, maar kregen nauwelijks aandacht in de Nederlandse media. Het later verschenen rapport van Amnesty International onderging hetzelfde lot. In plaats van inhoudelijke journalistieke duiding verschoof het debat vooral naar sociale media, waar kritiek op de staat Israël routinematig werd weggezet als antisemitisme.

Dat is opmerkelijk, omdat deze drie rapporten, verschenen binnen één jaar, fundamentele vragen oproepen over structurele mensenrechtenschendingen en de behandeling van de Palestijnse bevolking. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de manier waarop over apartheid in relatie tot Israël wordt gesproken, de afgelopen jaren verschuift. Binnen de wetenschap, bij mensenrechtenorganisaties en in internationale media is die verandering duidelijk merkbaar. Alleen de Noordwest-Europese pers lijkt achter te blijven, met weinig diepgravende analyses of hoofdredactionele reflectie.

Ha’aretz en het woord apartheid

Voor dit artikel onderzocht ik hoe Israëlische media schrijven over apartheid, met een focus op dagblad Ha’aretz. Deze krant staat bekend als een onafhankelijke kwaliteitskrant, liberaal van toon en invloedrijk binnen het publieke debat. Via Factiva analyseerde ik het gebruik van het woord ‘apartheid’ in Ha’aretz tussen januari 2017 en januari 2022. Dat leverde 915 artikelen op.

Niet alleen de frequentie is relevant, maar ook de context. Verschijnt het woord in de kop of alleen in een citaat? Wordt het centraal gebruikt of terloops genoemd? En misschien nog belangrijker: staat het tussen aanhalingstekens, of niet? Aanhalingstekens fungeren vaak als een subtiel signaal dat een term als omstreden of niet-legitiem wordt gepresenteerd.

Wat opvalt, is dat de toon in recente artikelen duidelijk verschilt van eerdere jaren. Waar Ha’aretz lange tijd dicht bij het officiële narratief van de staat Israël bleef, sluit de berichtgeving steeds vaker aan bij een verschuivende publieke opinie. Het woord apartheid verschijnt vaker en steeds vaker zonder distantie, al zal het waarschijnlijk nog tijd kosten voordat het begrip volledig wordt geaccepteerd in het bredere debat.

Geloofwaardigheid en weerstand

De term apartheid blijft politiek beladen. In diplomatieke en publieke contexten wordt nog vaak gesproken over ‘tijdelijke bezetting’, een kwalificatie die na meer dan vijftig jaar vooral vragen oproept. De Israëlische politicoloog Oren Yiftachel wees er in 2021 op dat apartheid verschillende vormen kent en niet één op één hoeft overeen te komen met het Zuid-Afrikaanse model.

Intussen gelooft vrijwel niemand nog serieus in een levensvatbare tweestatenoplossing. Wel wint een alternatief denkmodel terrein, zoals A Land for All, een Israëlisch-Palestijnse beweging die pleit voor gedeelde soevereiniteit, gelijke rechten en vrijheid van beweging voor alle inwoners. Een van de initiatiefnemers is journalist Meron Rapoport, die al jaren pleit voor een radicaal ander perspectief op het conflict.

De geloofwaardigheid van Ha’aretz speelt hierin een rol. Al in 2007 concludeerden onderzoekers in het tijdschrift International Security dat analyses en opiniestukken in onder andere Ha’aretz zelden inhoudelijk ter discussie worden gesteld, vanwege hun feitelijke nauwkeurigheid en onderbouwing. Mede daarom kon Human Rights Watch uitgebreid naar de krant verwijzen zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.

Afwijzing door identificatie

De afwijzing van het woord apartheid onder veel Israëli’s hangt nauw samen met de overtuiging dat de staat zich uitsluitend verdedigt tegen terrorisme. Illegale nederzettingen worden door grote delen van de bevolking geaccepteerd, net als de realiteit waarin miljoenen Palestijnen structureel minder rechten hebben. Daarmee staat Israël voor een keuze die vergelijkbaar is met die van Zuid-Afrika destijds: een beweging richting gelijkheid, of het bestendigen van een systeem van structurele ongelijkheid.

Dat het begrip apartheid polariseert, is duidelijk. Veel Israëlische wetenschappers en journalisten vermijden het bewust, uit angst voor reputatieschade voor de staat en voor de Joodse identiteit als geheel. Tegen die achtergrond is de ontwikkeling bij Ha’aretz opvallend. De krant gebruikt het woord steeds vaker zonder aanhalingstekens, zowel in koppen als in de lopende tekst. Dat wijst op een betekenisvolle verschuiving.

Opinie en taalgebruik

In oktober 2021 schreef voormalig plaatsvervangend procureur-generaal Yehudit Karp over de terughoudendheid rond het gebruik van het woord apartheid. Volgens haar haken veel lezers af zodra Israël met dat begrip in verband wordt gebracht. Apartheid hoort, in die beleving, bij Zuid-Afrika tussen 1948 en 1990, niet bij Israël. Wie het woord toch gebruikt, wordt al snel gezien als een radicaallinkse criticus of als iemand met antisemitische motieven.

Toch laat onderzoek zien dat Ha’aretz al jaren aandacht besteedt aan de humanitaire gevolgen van bezetting en nederzettingen, lang voordat Europese en Amerikaanse media dat structureel deden. Inmiddels gebruiken steeds meer Joodse en Israëlische critici de term openlijk, van journalisten en academici tot bloggers.

Een nieuwe toon

In recente artikelen schrijft Ha’aretz steeds kritischer over corruptie binnen de Israëlische regering, over morele twijfel na jarenlange militaire dienst en over het doden van Palestijnse kinderen bij vergeldingsaanvallen die nauwelijks nog nieuwswaarde lijken te hebben. De krant analyseert hoe radicale islam wordt ingezet als rechtvaardiging voor voortdurende bezetting, en bekritiseert de quasi-neutraliteit van de Israëlische regering ten aanzien van Rusland, terwijl de Holocaust wordt herdacht en tegelijk wordt gesproken over een nieuwe genocide in Europa.

Daarnaast beschrijft Ha’aretz structurele schendingen van Palestijnse basisrechten: huisvernietigingen, bewegingsbeperkingen en een dagelijkse realiteit van ongelijkheid. Zelfs wanneer het woord apartheid niet expliciet valt, zijn de gevolgen zichtbaar. Ook waarschuwt de krant voor de rol van desinformatie en geruchten, die via sociale media kunnen leiden tot geweld, vooral rond explosieve plekken als de Tempelberg.

Het besef groeit dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de internationale gemeenschap de kwalificatie ‘apartheid’ overneemt, met alle politieke gevolgen van dien.

Woorden doen ertoe

Woorden doen ertoe. Media kiezen ze zorgvuldig, niet alleen om te informeren, maar ook om het publieke debat vorm te geven. Taal beïnvloedt hoe standpunten ontstaan en verschuiven. In een geglobaliseerd medialandschap, waarin Ha’aretz via zijn Engelstalige editie een internationaal publiek bereikt, speelt die woordkeuze een steeds grotere rol.

Volgens jurist John Dugard is de belangrijkste reden dat Europese media het woord apartheid vermijden de angst om van antisemitisme te worden beschuldigd. Zolang het onderscheid tussen antisemitisme en kritiek op Israëlisch beleid vervaagd blijft, wordt fundamentele discussie uit de weg gegaan.

Maar zoals Elie Wiesel al zei: neutraliteit helpt de onderdrukker, nooit het slachtoffer. En zolang het woord apartheid uit angst wordt gemeden, blijft het onrecht ongemerkt voortbestaan.

Deze tekst is een samenvatting van een analyse die werd geschreven en gepubliceerd in januari 2022, ruim vóór 7 oktober 2023, als onderdeel van een internationaal project.

Het woord dat iedereen vermijdt | b r o n n e n