Samenleving

De steen van het volk

In Dordrecht filmt Pieter Rambags, op TikTok bekend als @Pete_Guitar, zichzelf bij de Stolpersteine in de stad. Kleine messing steentjes in de stoep, met een naam, een geboortedatum en een plaats. Ooit, zegt hij, vond hij dit een sympathiek gebaar om de Jodenvervolging te herdenken. Nu niet meer. Nu hebben deze stenen voor hem “een nare nasmaak”.

Want, zo vervolgt hij, elke keer dat hij ze ziet realiseert hij zich dat “een slachtoffer zelf tot dader kan worden”. En dan valt de zin die alles verschuift: “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Die zin doet iets wat de steen zelf niet doet. De steen noemt een naam, de zin noemt een volk.

Ik maakte jaren geleden een foto van vier Stolpersteine in Amsterdam, op de hoek van de Willemsparkweg en de Alexander Boersstraat, in het Museumkwartier. Querido, stond er vier keer. Jacob. Klara. Rebecca. Duifje. Jacob, de naamgenoot van mijn opa, vermoord in 1943. De drie anderen, ondergedoken op verschillende locaties, met overleefd op het steentje.

Ik groeide om de hoek op, in de Jacob Obrechtstraat. Als klein meisje in de jaren ’70 woonde ik bij mijn opa en oma. Die straten waren toen gewoon straten, waar je buiten speelde met je fiets – die niet op slot moest als je met het touwtje uit de brievenbus even naar binnen ging. Melkboer op de hoek, de tram die rinkelde, brede trottoirs waar je speelde met krijt zonder klagende buren. Pas veel later begreep ik hoeveel namen er ontbraken.

In 2023 liep ik opnieuw door deze buurt, dit keer met mijn jongste zoon. We liepen langs de Obrechtsjoel, langs de Obrechtkerk waar mijn opa schuin tegenover zijn bloemenkraam had. We lunchten bij Van Dam en gniffelden om wat we thuis in Noordwijk stiekem hockeyloedermoeders noemden, import met een bakfiets. Ik vertelde over mijn vriendje aan de overkant dat op schermen zat, over verkleedpartijen in witte pakken en maskers, over spelen in het Vondelpark en het Rembrandtpark en verplichte danslessen bij Dansschool Oostveen aan de Overtoom.

Onderweg naar de oude Jodenbuurt kwamen we de Stolpersteine van de familie Querido tegen, en nog meer kleine steentjes op andere plekken in de stad. Ik vertelde over onderduiken, over Auschwitz en mijn familie, over hoe mensen soms uit hun eigen straat verdwijnen en alleen nog een naam achterlaten. En soms, zoals bij mijn andere oma, zelfs hun naam in hun land van herkomst moeten achterlaten om te kunnen vluchten.

We stopten bij de steentjes en lazen wat er stond. Hij was negentien, ik hoefde niets uit te leggen. De woorden spraken voor zich, een drama op een steentje van tien bij tien centimeter.

Later die middag zochten we de namen opnieuw op bij het Nationaal Holocaust Namenmonument, naast het Joods Museum. Rijen bakstenen, duizenden namen. Querido verscheen opnieuw, meerdere keren. Met leeftijden erachter. 80 jaar. 13 jaar. 17 jaar.

Misschien is dat de kern van wat herdenken probeert te doen. Niet het leed op grote schaal vangen, maar een naam blijven uitspreken.

Misschien is dat ook waarom die video uit Dordrecht zo schuurt. Omdat hij precies het omgekeerde doet.

Waar de steen een naam noemt, noemt de man een volk. Waar het steentje niets anders doet dan registreren wie ergens woonde, maakt Rambags van diezelfde geschiedenis een morele categorie.

Elke keer als ik deze stenen zie, kijk ik weg. Want zij vertegenwoordigen voor mij het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien. Namelijk een volk dat is verworden tot een genocidale soort.

Hij heeft het niet over een kabinet. Niet over een premier. Niet over een militaire operatie of een juridische kwalificatie. Hij heeft het over “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Dat woord, soort, blijft hangen. Het is geen politieke of juridische term. Het is een woord dat over mensen gaat.

Dat is iets anders dan terechte kritiek op beleid of oorlog.

Wie het handelen van een staat vertaalt naar de aard van een volk, maakt van afkomst een verwijt. Dan verdwijnen namen. Dan blijft er geen Jacob of Klara of Duifje meer over, maar een groep mensen die moet opdraaien voor wat een regering doet, in een land waar ze nooit zijn geweest.

Het is een verleiding van deze tijd. Sociale media met snelle meningen, conflicten die groot, groter, grootst moeten zijn om te scoren. Honderdduizenden worden in één adem miljoenen. Dan volgen de woorden als genocide, apartheid, zuivering. Uitgesproken met een gemak alsof het bijvoeglijke naamwoorden zijn. Zware woorden, ingezet als morele knuppels.

Maar wat er in Dordrecht gebeurt, is geen juridisch debat. Het is een generalisatie waarin een volk als volk wordt veroordeeld. Dat heeft een naam: antisemitisme.

In dezelfde adem waarin wordt verwezen naar de Holocaust, wordt die ook gerelativeerd, alsof leed met elkaar moet concurreren. In het filmpje zegt hij dat de struikelsteentjes voor hem “het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien” vertegenwoordigen. Niet het nazisme, de vernietigingskampen, de onmenselijke wreedheden. Maar een volk dat volgens hem is “verworden tot een genocidale soort”. Vervolgens volgen de aantallen. Honderdduizenden. Miljoenen. En dan die zin: “En daarmee verschaalt hun Holocaust.”

De herinnering aan de Holocaust wordt ingezet om het verleden te herschrijven, zodat het heden kan worden veroordeeld. In dat herschikken wordt de Holocaust een argument in plaats van een geschiedenis. Dat is niet herdenken, dat is misbruiken.

Herdenken, écht herdenken, werkt anders. Het zoekt geen ranglijst van ellende. Het begint klein. Bij een naam die wordt uitgesproken, niet bij een morele wedstrijd.

Op het Jonas Daniël Meijerplein wordt ieder jaar de Februaristaking herdacht. Een concrete daad van verzet tegen razzia’s in eigen straten, tegen buren die werden weggevoerd. Georganiseerd door de toen illegale CPN, het enige massale en openlijke protest in bezet Amsterdam tegen de Jodenvervolging.

Twee dagen lag de stad stil. Trams reden niet, fabrieken draaiden niet, werk werd neergelegd omdat mensen weigerden te doen alsof er niets gebeurde. Daarna werd de staking door de Duitsers met geweld gebroken. Er vielen doden, er volgden arrestaties, mensen raakten hun baan kwijt en kwamen in armoede terecht. En terwijl de bezetter de orde herstelde, werd ook vanuit het Amsterdamse gemeentebestuur aangedrongen op hervatting van het werk. De stad moest weer functioneren. Het werk ging voor.

Dit jaar waren er tijdens de herdenking ook andere symbolen zichtbaar. Een vlag van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, een organisatie die op de EU-terreurlijst staat. Spandoeken tegen de bezetting, geknielde demonstranten met blinddoeken, soms onder het toeziend oog of toegejuicht door docenten die meer tijd en energie in actievoeren stoppen dan in hun collegereeksen.

Dat spanningsveld beperkt zich niet tot het plein zelf. In het debat rond de Gaza-demonstraties wordt inmiddels ook gekeken naar de netwerken achter de mobilisatie. Zo wees Carel Brendel recent op de rol van onder meer PGNL en AGD als terugkerende organisatoren van straatprotesten en verbond hij die aan bredere pro-Hamas-structuren in Europa. Die analyse kan worden betwist of onderschreven, maar zij laat zien hoe snel herdenken, demonstreren en geopolitieke netwerken in één frame terechtkomen.

Herdenkingen gaan met de tijd mee. Ze worden telkens opnieuw geïnterpreteerd en het is niet vreemd dat het heden zich mengt met het verleden. Dat gebeurde altijd al. Maar er is een verschil tussen meegaan met de tijd en het kapen van herdenken voor een eigen agenda.

Wanneer tijdens een herdenking van Jodenvervolging een volk als genocidaal wordt bestempeld, verandert er iets wezenlijks. Dan wordt herinnering geen waarschuwing meer, maar munitie.

De stap van staat naar volk is klein in taal, maar groot in betekenis. Populisten weten dat al jaren, activisten nu ook.

Israël is een staat. Met verkiezingen, interne verdeeldheid, demonstraties, rechters, dienstplichtigen die niet of juist heel graag willen dienen, en burgers die het oneens zijn met hun regering of er juist vol overtuiging achter staan. Joden vormen een volk, verspreid over landen, met uiteenlopende overtuigingen, religieuze en seculiere tradities, politieke posities die elkaar soms fel bestrijden.

Wanneer het handelen van de één wordt vertaald naar de schuld van de ander, ontstaat er een glijdende schaal. Niet luid, niet met hakenkruizen, maar met zinnen en en filmpjes van mensen die zichzelf rechtvaardig noemen.

Het antisemitisme van deze tijd komt zelden met openlijke haat. Het verschijnt als morele omkering of wordt verscholen achter de term zionisme. Niet de Jood als minderwaardig, maar de Jood als moreel tekortschietend. Niet het individu, maar het collectief.

Het zegt: kijk, zij doen nu wat zij ooit hebben ondergaan.

Terug naar die middag in Amsterdam. Naar de stenen, museum en het monument. Naar Querido, meerdere keren, met leeftijden erachter. Er is een oud Joods gezegde: je bent pas dood als je naam niet meer genoemd wordt.

Misschien is dat wat er op het spel staat wanneer namen weer volk worden en volk weer soort. Dat we ophouden met het noemen van namen en het zien van mensen en beginnen met het plakken van een label.

De steen verandert niet als iemand hem filmt en een volk veroordeelt. De baksteen in het Namenmonument blijft dezelfde naam dragen, ongeacht welke vlag er op een plein wappert.

Maar taal verandert wel.

En taal is zelden onschuldig wanneer zij van een naam een collectieve schuld maakt. En precies in die verschuiving vindt antisemitisme telkens een nieuwe vorm.

De steen van het volk | bronnen

Video geplaatst door Pieter Rambags

Vergeten kinderen

IJskoud vergeten

Hoe kinderen verdwijnen in de Amerikaanse droom

De foto van Liam Ramos ging in januari 2026 de wereld over. Een vijfjarig jongetje in een blauwe konijnenmuts met een Spider-Man-rugzak, vastgehouden door gewapende ICE-agenten. Zijn arrestatie werd gepresenteerd als schokkend, maar was geen incident. Ze was het voorspelbare gevolg van een beleid dat al decennia kinderen opsluit en laat verdwijnen in een papieren doolhof, tot er weinig meer van hen overblijft dan een dossiernummer.

Wat hier zichtbaar wordt, is geen ontsporing maar een patroon. Een morele hiërarchie die al jaren bepaalt welke kinderen bescherming krijgen en welke vanaf hun geboorte als probleem worden gezien. Die onzichtbare grens wordt niet getrokken op basis van wat een kind doet, maar op basis van herkomst, huidskleur en papieren status.

Liam was niet de eerste. Hij zal ook niet de laatste zijn.

“This is not new. It has been happening for years.”

Iedere keer wanneer een kind wordt opgepakt door ICE, wanneer een leerling niet meer terugkomt in de klas of wanneer een gezin plots uit een wijk verdwijnt, volgt dezelfde reflex. Verontwaardiging en verbijstering, bijna automatisch gevolgd door de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren. Alsof het om iets zeldzaams gaat. Alsof het nieuw is.

Maar kinderen in detentie zijn geen recent fenomeen. Ze zijn geen bijproduct van één president en geen tijdelijke schade die later kan worden hersteld. Ze maken deel uit van een systeem dat al decennia bestaat en dat precies weet wat het doet. Ook toen Clinton, Obama en Biden in het Witte Huis zaten. Het beleid veranderde van toon en vorm, maar niet van richting.

“On paper, children are protected.”

Al in de jaren negentig werden afspraken gemaakt over hoe de Verenigde Staten met minderjarige migranten zouden omgaan. De Flores-regeling uit 1997 was helder. Kinderen in immigratiedetentie mochten maximaal twintig dagen worden vastgehouden, in een zo open en zorgzame omgeving mogelijk. Het doel was bescherming, juist om wreedheden en langdurige schade te voorkomen.

Op papier klonk dat menselijk. In de praktijk werd het iets anders.

ICE en aanverwante instanties vonden manieren om de regeling te gebruiken zonder haar te volgen. Niet door haar openlijk te negeren, maar door haar langzaam uit te hollen. De definitie van veiligheidsrisico werd zo breed dat zelfs een tekening, een schoolruzie of een vage verdenking voldoende kon zijn om kinderen langer vast te houden dan de wet toestaat. Tegelijkertijd werden kinderen ondergebracht in zogenoemde tijdelijke voorzieningen die formeel niet als detentiecentra golden, waardoor de regels theoretisch niet werden overtreden, maar in de praktijk wel.

Dat dit kon gebeuren, had weinig te maken met onduidelijkheid en alles met onwil. Politici keken weg, toezicht bleef zwak en private gevangenisbedrijven verdienden aan elke extra dag detentie. Zo veranderde een regeling die kinderen moest beschermen in een excuus om ze op te sluiten.

Dat kinderen niet thuishoren in detentie, is nooit serieus betwist. Ze verdienen zorg, bescherming en snelle hereniging met familie. Dat staat in verdragen en in Amerikaanse rechterlijke uitspraken. Dat het toch anders liep, was geen misverstand maar een keuze.

“It’s like a black hole.”

“Het is alsof ze verdwijnen in een zwart gat,” zei immigratieadvocaat Samantha Ratcliffe, die meerdere tieners bijstond. “Het gaat niet om gezinshereniging of kinderen die aan de grens zijn opgepakt. Het is iets anders. En niemand lijkt te weten dat het gebeurt.”

ICE en zijn voorgangers bouwden in de loop der jaren een systeem waarin kinderen wel degelijk konden worden vastgezet. Niet openlijk en niet voortdurend in beeld, maar verspreid over het land, in jeugdgevangenissen, tijdelijke voorzieningen en afgelegen instellingen. Soms voor dagen, soms voor weken, soms voor maanden. Vaak zonder uitleg over waarom ze daar waren, hoe lang het zou duren of welke rechten zij hadden. Regelmatig wisten ouders of advocaten niet waar de kinderen zich bevonden.

Al jaren plaatst ICE tieners in detentie op duizenden kilometers afstand van hun familie. Niet als uitzondering, maar als praktijk. In particuliere instellingen die draaien op overheidscontracten, soms naast volwassen gedetineerden. Plaatsen waar kinderen uit beeld verdwijnen zonder dat iemand hoeft uit te leggen waarom.

Dat dit geen incidenten zijn, blijkt uit de cijfers. In 2025 belandden meer dan 3.800 kinderen in immigratiedetentie. Niet als ontsporing, maar als regulier beleid. Jaar na jaar gaat het om duizenden kinderen. Niet alleen aan de grens, maar midden in het land. Kinderen die al jaren in de Verenigde Staten wonen, naar school gaan, Engels spreken, vrienden hebben en plannen maken. Soms zelfs kinderen die in de VS zijn geboren.

Hun zichtbaarheid beschermt hen niet.

“Once a child becomes a case, protection ends.”

Wat deze kinderen met elkaar verbindt, is niet hun uiterlijk, hun taal of hun gedrag, maar hun papieren status. Op het moment dat een kind wordt gekoppeld aan een zaak die moet worden afgehandeld, verschuift het van persoon naar dossier. Het verdwijnt naar de achtergrond en wordt een bijlage van een probleem dat beheersbaar moet blijven.

Hoe vijfjarigen met een konijnenmuts en een rugtas met een superheld ooit een gevaar voor de nationale veiligheid zouden vormen, is een vraag waar het systeem geen antwoord op hoeft te geven.

Onder iedere administratie, Democratisch of Republikeins, werd detentie ingezet als drukmiddel. Dat gebeurde terwijl alternatieven al jaren beschikbaar waren. Het Family Case Management Program liet zien dat gezinnen vrijwel altijd verschenen voor hun rechtszaken zonder dat kinderen hoefden te worden opgesloten. Het kostte een fractie van detentie en het werkte. Juist daarom werd het programma beëindigd – onder Trump moet voor de aanhang zichtbaar zijn dat er van immigranten werk wordt gemaakt. Het beeld van keurige gezinnen die zich op tijd komen melden bij de rechtbank past daar niet in.

“Routine creates legitimacy.”

Tegelijkertijd presenteert ICE zichzelf als professioneel en zorgzaam. Agenten spreken over ervaring met kinderen, vaste werkwijzen en expertise. Die taal is veelzeggend. Wat zich steeds opnieuw voordoet, wordt normaal. Wat normaal is, hoeft niet langer te worden uitgelegd.

In die normaliteit verdwijnen de omstandigheden uit beeld. Kinderen verblijven in afgesloten ruimtes zonder daglicht, slapen onder toezicht en hebben nauwelijks privacy. Ze krijgen beperkte toegang tot onderwijs, buitenlucht en familiecontact. Medische zorg is minimaal en vooral gericht op beheersing.

Zo worden kinderen geen grensgeval meer, maar onderdeel van het werk. Hun aanwezigheid vraagt geen morele afweging meer, alleen uitvoering. Wie nog twijfelt over de omstandigheden of denkt dat het allemaal wel meevalt, moet maar eens gaan zoeken naar Alligator Alcatraz of Dilley in Texas.

“The harm is documented and accepted.”

De gevolgen van detentie zijn al jaren vastgelegd. Artsen, psychologen en kinderrechtenorganisaties beschrijven steeds hetzelfde patroon. Kinderen raken angstig en trekken zich terug, slapen slecht en verliezen hun gevoel voor tijd. Jongere kinderen vallen terug in gedrag dat zij al lang ontgroeid waren. Oudere kinderen worden stil of onrustig. Sommigen stoppen met spreken, anderen doen zichzelf pijn omdat wachten in eenzaamheid zonder einde ondraaglijk wordt.

Deze schade zet snel in en verdiept zich naarmate de onzekerheid voortduurt. Detentie tast het vertrouwen van kinderen aan in volwassenen, in instituties en uiteindelijk in zichzelf. Wat bedoeld is als tijdelijk vasthouden, werkt door als blijvende ontwrichting.

Dit is geen onverwacht neveneffect. Het is een bekend risico dat keer op keer wordt geaccepteerd.

“One story makes the system disappear.”

Wanneer dit alles toch even door het publieke bewustzijn breekt, gebeurt dat meestal via één verhaal. Eén kind. Eén foto. Eén naam. De verontwaardiging is oprecht, maar ook geruststellend. Ze wekt de indruk dat het om een uitzondering gaat die kan worden hersteld.

Die uitzondering is er niet. De honderden kinderen die geen naam en gezicht krijgen, zitten er nog steeds.

“Silence is learned.”

Scholen zien leerlingen verdwijnen zonder uitleg. Een plek in de klas blijft leeg. Een naam wordt niet meer genoemd. Leraren weten niet wat ze mogen zeggen. Medescholieren leren dat sommige afwezigheden niet worden benoemd en dat er vragen zijn die je beter niet stelt.

Zo verdwijnt detentie uit het dagelijks gesprek, ook al speelt zij zich midden in dat leven af. Niet omdat niemand het ziet, maar omdat zwijgen veiliger voelt dan benoemen. Of omdat mensen bang zijn om hun baan te verliezen of per ongeluk iemand te verraden.

“Suspicion replaces innocence.”

Kinderen in ICE-detentie worden zelden gezien als kwetsbaar. Ze worden gekoppeld aan dreiging. Aan criminaliteit, bendes en gevaar. Dat frame is oud. Jongeren worden verdacht op basis van kleding, tekeningen, schoolnotities of losse associaties. Een symbool in een schrift. Een kleur schoen. Een telefoonnummer.

Verdenking volstaat om in te grijpen. Soms komt het signaal van politie of instanties, soms van scholen zelf. Wat begint als waakzaamheid, eindigt als dossier. Het vraagt wel om een bepaald slag docenten om kinderen aan te geven bij ICE, maar dat terzijde.

Zo verschuift de vraag van wat een kind heeft gedaan naar wat het mogelijk zou kunnen doen.

Dat is een bewuste keuze en hoe het systeem werkt.

“Not all children are equally legible as victims.”

Onder de vraag welk kind bescherming krijgt en welk kind geruisloos mag verdwijnen, ligt een sociale hiërarchie. Sommige kinderen worden vanzelfsprekend als slachtoffer herkend. Andere worden vanaf het begin gezien als onderdeel van een probleem. Dat onderscheid wordt zelden uitgesproken, maar werkt voortdurend door.

Dat klassenverschil is niet neutraal. Ze is gegroeid langs raciale lijnen en culturele aannames. Het ‘echte’ kind is onschuldig, herkenbaar. Blond haar, een Amerikaans accent, een geboortegrond die geen uitleg vraagt. Het andere kind draagt altijd iets mee dat wringt. Zelfs wanneer het jong is, naar school gaat, Engels spreekt of in de Verenigde Staten is geboren. Zelfs als het onschuldig is.

“The system does not forget. It functions.”

Wat dit alles zichtbaar maakt, is niet dat Amerika zijn kinderen vergeet. Het land ziet hen wel. Het telt hen, registreert hen en verplaatst hen. Wat ontbreekt, is erkenning van hun rechten wanneer die botsen met handhaving en politieke winst.

Zolang kinderen kunnen worden vastgezet zonder dat dit gevolgen heeft voor beleid, blijft het gebeuren. Zolang iedere zaak kan worden gepresenteerd als schokkend maar uitzonderlijk, hoeft niemand te erkennen dat het patroon oud is en bekend.

In dat vacuüm klinkt de roep om meer hardheid. Binnen MAGA-kringen wordt dit beleid niet gezien als probleem, maar als beginpunt, dat nog lang niet ver genoeg gaat. Tegelijk beginnen Republikeinen te draaien, omdat de gevolgen zichtbaarder worden en soms te dichtbij komen. Daartussen beweegt Trump, zonder afstand te nemen van een systeem dat hij hielp normaliseren.

Vergeten kinderen zijn hier geen kinderen zonder naam.
Het zijn kinderen wier namen niets veranderen.

Dat is geen misverstand.
Dat is hoe dit systeem al jaren werkt.

Alle quotes zijn afkomstig de bronnen in het overzicht. Klik hier om ze te lezen.

Sociale media

Bluesky bubbelbühne

Bluesky presenteert zichzelf graag als het moreel superieure alternatief voor X. Zolang je maar in de pas loopt en je mening afstemt op wat binnen de bubbel netjes wordt gevonden.

Het begon met één korte post. Geen analyse, geen opiniestuk, geen oproep tot actie. Alleen een constatering:

“Meer dan 30.000 doden binnen twee dagen in Iran. En amper een piepje van mensen die drie jaar lang vol op het orgel gingen met ‘want Gaza’. Gelegenheidsactivisten.”

Geen vergelijking van leed, geen rangorde, geen bagatellisering. Alleen een observatie over zichtbaarheid en stilte. Over tijdlijnen die eerder opriepen tot sit-ins op stations, demonstraties en het vernielen van universiteiten vergoelijkten. Over mensen die Hamas neerzetten als vrijheidsstrijders en datzelfde Hamas bleven verdedigen toen het na het bestand met Israël Palestijnen begon dood te schieten. Op dat moment verdwenen Gazanen als slachtoffers uit beeld. Toen werden het collaborateurs, of mensen die het zogenaamd verdienden. Dáár gaat dit over. Niet over één conflict, maar over hoe solidariteit werkt zolang het verhaal uitkomt.

De reacties die volgden, gingen nauwelijks over Iran. Ze gingen over mij, mijn moraal, mijn intenties en mijn plek. Daarmee werd precies bevestigd wat de post benoemde.

“Mila zeurt selectief en heeft het niet over mensenrechten en solidariteit.”
@marjanke.bsky.social

Een voorbeeld geven of inhoudelijk reageren bleek te veel gevraagd. Analyse werd verwisseld met activisme op afroep, gevolgd door het afgezaagde: “Je kletst domrechtsvolgvolk na zonder onderbouwing.”

Niets op inhoud, geen feiten en geen weerlegging. Wel geestelijk armoede met een account op sociale media.

Elke terechte weerlegging van deze kwaadaardige whataboutism …
@LoftiElHamidi@bsky.social

El Hamidi reageerde niet op wat ik schreef, maar op wat hij ervan maakte. Mijn observatie werd meteen weggezet als “kwaadaardige whataboutism” en als bagatellisering van groot leed. Dat klinkt zwaar, maar zegt inhoudelijk niets.

Hij ging niet in op de feiten. Het dodental werd niet betwist. De stilte op sociale media werd niet ontkend. In plaats daarvan werd het recht om het patroon te benoemen aangevallen. Daarmee hoefde hij niet meer te reageren op de kern van mijn punt: dat verontwaardiging selectief wordt ingezet en dat stilte óók een keuze is.

Het woord whataboutism werkt hier niet als kritiek, maar als stopwoord. Door het moreel zwaar aan te zetten, wordt verdere analyse overbodig. Het gesprek is klaar nog voor het begint.

Juist daarom is deze reactie zo tekenend. Niet omdat El Hamidi iets toevoegt, maar omdat hij laat zien hoe de bubbelbühne zichzelf bewaakt: niet met argumenten, maar met framing.

Maar ja, je wordt ook niet zomaar auteur voor The Times of Israel zeker?
@LeonSlothsky.bsky.social

Slothsky verplaatste het gesprek van inhoud naar boodschapper. Niet wat ik schreef stond centraal, maar waar ik het schreef. Waar hebben we dat eerder gezien. Hint: Zou u haar doen?

Dit is schuld door associatie, klassiek en gemakzuchtig. Alsof schrijven bij een Israëlisch medium automatisch betekent dat je geweld verdedigt, Netanyahu steunt of Palestijns leed ontkent. De tekst zelf hoeft dan niet meer gelezen te worden. Ingaan op wat er daadwerkelijk staat, bleek te veel gevraagd.

Daar bleef het niet bij. Hij plukte selectief uit mijn Volkskrant-opinie over academische boycots. Context weg, kern weg. Dat stuk ging over medische innovatie, klimaatonderzoek en de gevolgen van symbolische politiek. Niet over het goedpraten van staatsgeweld en niet over het ontkennen van Palestijns leed.

Toen ik dat aanwees, volgde geen inhoudelijke reactie, maar het verwijt ad hominem. Het patroon herhaalt zich: wie het gedrag benoemt, krijgt een etiket. De inhoud moet verdwijnen, zodat het morele zelfbeeld intact blijft.

Ik walg van de daden van een volk dat een ander volk aandoet wat hen 80 jaar geleden is aangedaan …
@IngeStolkenburg.bsky.social

Met deze reactie verschuift het gesprek in één klap van inhoud naar persoon. Walging en verontwaardiging vervangen elk argument. Het sluit af met: “Deze boodschap zegt meer over jou dan over mij.” Daarmee is het gesprek klaar.

Toen ik aangaf dat het niet ging over haar moraal, maar over een patroon in publieke verontwaardiging, werd het expliciet persoonlijk gemaakt. “Ik heb het niet over mijn moraal. Wel over die van jou.”

Wat volgt, is geen gesprek maar decor. Er wordt niets weerlegd, niets onderzocht en niets bevraagd. De rollen liggen vast: Stolkenburg aan de goede kant, ik niet. Klaar. En armoedig.

Wat een rare opmerking, Waarom maak je überhaupt deze vergelijking?
@yolanthe1.bsky.social

In mijn post wijs ik op een patroon op sociale media. Yolanthe maakt daar een morele test van. Let op de framing. “Waarom maak je überhaupt deze vergelijking?” doet alsof vergelijken op zichzelf verdacht is. Terwijl vergelijken nu juist is wat analyse doet, zonder dat zie je niets.

De tweede reactie maakt dat nog duidelijker. “Maakt het je dan niet uit dat tienduizenden mensen vermoord worden?” Dat is geen vraag, maar een verwijt verpakt als zorg. Het doel is niet begrijpen, maar moreel hoger gaan staan.

Jaren van schrijven over mensenrechten, vrouwenrechten en apartheid worden daarmee in één beweging onzichtbaar. Niet omdat ze er niet zijn, maar omdat ze niet in haar beeld passen.

Drie jaar vol op het orgel?! Was dat maar waar.
@gretat.bsky.social

Greta haalt hier twee dingen door elkaar. Zichtbaarheid op sociale media wordt gelijkgesteld aan kabinetsbeleid. Alsof diplomatieke stappen en Kamerreacties hetzelfde zijn als luidruchtige online verontwaardiging.

Dat is geen slordigheid, maar een handige draai. Wie protesten koppelt aan wat de overheid zegt of doet, kan blijven ontkennen dat er online selectieve stilte bestaat. Als Den Haag iets roept, zal het op sociale media ook wel loslopen.

Het is de digitale versie van: ik hoor geen huilbaby, dus die van jou zal ook wel tevreden zijn.

Wat een raar mens bent u.
@whistler4u.bsky.social

Hier verdwijnt zelfs de poging tot debat. Alleen een oordeel, gebaseerd op “één blik op je tijdlijn”.

Dit is het eindstation van de bubbelbühne.

Drogredenen mevrouwtje, bullshit uit je mond.
@asimo12.bsky.social

Hier hoeft niets meer te worden uitgelegd. Geen redenering, geen weerlegging, alleen mevrouwtje en schelden. Het woord drogreden wordt gebruikt als sticker, niet als begrip.

Dit is geen tegenspraak; dit is leegte, hardop geroepen.

Wat ze zeggen en wat ze doen

Natuurlijk maken deze accounts zich druk om mensenrechten. Altijd. Overal. Zonder voorbehoud. Althans, als je hun toon en morele verontwaardiging moet geloven. Daarom heb ik niet gekeken naar wat ze tegen mij zeiden, maar naar wat ze zélf deden. Hun eigen tijdlijnen, de afgelopen week.

Lotfi El Hamidi
Deelde één artikel van De Groene en één van de Volkskrant. Daarnaast reposts van derden over de film The Voice of Hind Rajab. De enige eigen post was een kromme vergelijking tussen Minneapolis en Hebron. Verdere inhoud ontbrak volledig.

Leon Slothsky
Iran kwam één keer langs, via een een gedeeld stuk dat het dodental relativeerde. Verder bleef zijn tijdlijn gevuld met Israël, gedeelde stukken van derden.

Inge Stolkenburg
Structurele focus op Israël en Gaza, geen zichtbare aandacht voor Iran. Wel herhaald gebruik van extreme vergelijkingen en expliciet denigrerende opmerkingen, onder meer richting vrouwen. De vergelijking met gaskamers sluit elk gesprek af.

Yolanthe
Beperkte aandacht voor Iran via enkele reposts van @bijan63.bsky.social. Verder een repost waarin collectieve schuld wordt toegeschreven aan Joden en bestaansrecht wordt ontkend.

Greta (Auntie Fa)
Beperkt zich tot een emotionele repost over Gaza en een afbeelding die meer oproept dan uitlegt. Geen eigen duiding, geen aandacht voor Iran.

Daan, whistler4u en asimo12
Niks. Geen berichten over Iran. Geen zichtbare aandacht voor mensenrechten buiten dit conflict.

Dit zijn geen interpretaties of aannames. Dit is zichtbaar gedrag en wie hier nog steeds spreekt over universele verontwaardiging, kijkt niet goed. Of wil niet kijken.

Een beeld dat veel zegt

In dezelfde periode werd op Bluesky een tekening gedeeld, o.a. door Auntie Fa. Donald Trump en Benjamin Netanyahu houden samen een bord vast met de tekst “Trump Hotel Gaza”. Voor hen worden hongerige mensen uitgebeeld in de stijl die een link legt met concentratiekampen.

Laat één ding helder zijn. Dat Trump en Netanyahu beleid voeren dat misdadig is en tot massaal leed leidt, staat voor mij buiten kijf. Dat benoemen is geen probleem. Juist omdat kritiek op beleid noodzakelijk is, is versimpeling gevaarlijk.

Maar dit beeld legt geen beleid bloot. Het legt niets uit. Het laat geen keuzes zien, geen structuren, geen keten van oorzaken. Het werkt met één truc: schuld krijgt een gezicht en daarmee is het denken klaar. De doden worden decor.

Het schuurt niet omdat het openlijk antisemitisch is, maar omdat het gevaarlijk dicht langs oude beelden over Joden schuurt. De koele machthebber, de hand achter het kwaad. Beelden hebben een geschiedenis en die geschiedenis verdwijnt niet opeens.

Wat ook opvalt, is wat ontbreekt. Geen Hamas. Geen Iran. Geen regionale machtsstrijd. Geen context. Het kwaad krijgt één gezicht, steeds hetzelfde. Dat is geen uitleg, dat is versimpeling.

Wat hier zichtbaar wordt, is een patroon

Wat hier zichtbaar wordt, is geen incident en geen misverstand, maar een patroon. Mensenrechten werken in deze kring niet als principe, maar als badge. Ze worden opgepoetst zolang ze passen bij het juiste verhaal en geruisloos ingeruild zodra dat verhaal schuurt.

Wie dat benoemt, krijgt geen weerwoord, maar een digitale tik op de vingers. Niet omdat de feiten ontbreken, maar omdat ze ongelegen komen. Stilte is hier geen blinde vlek, maar een keuze.

Zolang solidariteit vooral dient als podium en niet als maatstaf, blijft empathie selectief en verontwaardiging keurig gedoseerd. Dat is geen activisme. Dat is zelfbevestiging.

En de bubbelbühne? Die applaudisseert. Steeds opnieuw.

Meer lezen? Klik hier voor het overzicht met de links naar de gebruikte bronnen.

N a s c h r i f t

Zowel mijn Volkskrant-opiniestuk over academische boycots als Free Palestine, alleen nu even niet worden in dit debat aangehaald als bewijsstuk, maar nauwelijks als tekst gelezen.

Het eerste ging over kennis, zorg en klimaat. Het tweede over zichtbaarheid en stilte. Geen van beide verdedigde staatsgeweld of ontkende Palestijns leed.

Wie dat er toch in leest, leest niet om te begrijpen, maar om te bevestigen.

Voor de preciezen onder ons: ik schreef “drie jaar”. Correct is: twee jaar en bijna vier maanden. De stilte blijft hetzelfde.

Vergeten kinderen

Het kind dat niet bestaat

Ik liep veel door Caïro toen ik er woonde. Met mijn camera bij de hand, maar vooral te voet, omdat je een stad pas leert kennen als je haar zo doorkruist. Ik liep door rijke wijken en door arme wijken. Door steegjes waar schapen tussen het afval liepen, over de corniche langs de Nijl met haar lantaarns en palmbomen en langs wegen waar mensen onder viaducten slapen. Ook door een wijk die letterlijk op een vuilnisbelt is gebouwd.

De armoede was soms zo alomvattend, dat ze nauwelijks nog opviel. Pasgeboren baby’s lagen op vuile dekens tussen straathonden, terwijl hun vader een paar meter verder schoenen poetste of thee verkocht. Kinderen zaten tegen muren geleund of stonden bedelend bij restaurants. Ze hoorden erbij, maar niemand leek ze nog echt te zien.

Pas later werd duidelijk wat ik zag. Veel van deze kinderen vallen niet alleen sociaal, maar ook juridisch buiten beeld. In gesprekken met mensenrechtenadvocaten kwam steeds hetzelfde terug: een groot deel van de straatkinderen in Caïro bestaat officieel niet. Ze zijn geboren uit informele huwelijken, vaak met minderjarige meisjes en nooit geregistreerd. Geen geboorteakte, geen identiteit, geen toegang tot school of zorg. Wat ontbreekt op papier, verdwijnt uiteindelijk ook uit beleid.

Wanneer een kind geen categorie is

Wie probeert vast te stellen hoeveel straatkinderen Caïro telt, stuit al snel op cijfers die zo uiteenlopen dat ze hun betekenis verliezen. Schattingen lopen van honderdduizenden tot enkele miljoenen. Dat verschil is geen statistisch probleem, maar een bestuurlijk signaal. Het laat zien dat er geen overeenstemming bestaat over wie wordt meegeteld en wie niet.

Internationale organisaties maken meestal onderscheid tussen kinderen die op straat werken maar nog een thuis hebben, en kinderen voor wie de straat ook hun slaapplaats is. Dat onderscheid zegt iets over leefomstandigheden, maar weinig over rechten. In de Egyptische wetgeving wordt een andere logica gehanteerd. Daar verschijnen straatkinderen vooral als kinderen die in aanraking kunnen komen met criminaliteit. Niet als kinderen zonder bescherming, maar als een risico voor de openbare orde.

Dat verschil in taal is geen detail. Het bepaalt of een kind toegang krijgt tot zorg en onderwijs, of vooral te maken krijgt met toezicht, controle en ingrijpen. Wie binnen de categorie valt, komt in beeld. Wie erbuiten valt, verdwijnt uit beleid en verantwoordelijkheid.

Leven op straat is geen incident

Straatkinderen in Caïro vormen geen losse groep en belanden niet toevallig op straat. Ze leven in een wereld waarin informele arbeid, tijdelijke slaapplaatsen en voortdurende onzekerheid samenkomen. Ze wassen auto’s, verzamelen afval, bedelen, verkopen kleine spullen of werken als loopjongen. Niet omdat ze daarvoor kiezen, maar omdat er nauwelijks alternatieven zijn.

Het gebruik van lijm en andere middelen wordt vaak veroordeeld, maar vervult in de praktijk een duidelijke functie. Het dempt honger en kou, helpt bij het slapen op onveilige plekken en maakt het dagelijks leven enigszins hanteerbaar. Het is geen oorzaak van hun situatie, maar een manier om ermee te leven.

Geweld is een vast onderdeel van het bestaan op straat. Van oudere jongeren, van volwassenen die misbruik maken van afhankelijkheid, van voorbijgangers die straatkinderen als overlast zien. En ook van de politie. Acties worden gepresenteerd als bescherming, detentie als heropvoeding. In de praktijk verdwijnen kinderen tijdelijk uit het straatbeeld om later weer terug te keren, vaak in een nog kwetsbaardere positie dan daarvoor.

Bescherming door beheersing

Op papier beschikt Egypte over uitgebreide wetten ter bescherming van kinderen. Er zijn opvangcentra, nationale plannen en samenwerkingen met internationale organisaties. Tegelijkertijd worden straatkinderen in de praktijk behandeld als een probleem dat beheersbaar moet blijven.

De staat benadert straatkinderen niet in de eerste plaats als kinderen met rechten, maar als een risico dat toezicht vraagt. Dat vertaalt zich in beleid waarin controle zwaarder weegt dan toegang tot onderwijs, zorg of bescherming. Kinderen worden opgepakt, vastgehouden en geregistreerd, maar zelden erkend als rechthebbenden.

Voor kinderen zonder geboorteakte is deze cirkel volledig gesloten. Zonder registratie bestaat er geen juridische basis voor opvang of onderwijs. Ze zijn zichtbaar genoeg om te worden opgepakt, maar onzichtbaar zodra rechten moeten worden toegekend. De wet bestaat, maar blijft in de praktijk een nutteloze constructie als het om deze kinderen gaat.

Het kind dat niet bestaat

Een deel van de straatkinderen in Caïro verdwijnt al bij de geboorte uit het systeem. Kinderen die worden geboren uit informele huwelijken, tijdelijke huwelijken of huwelijken met minderjarige meisjes krijgen meestal geen geboorteakte. In de praktijk kan een geboorte alleen worden geregistreerd door de vader of een mannelijke verwant, én alleen wanneer er een geldig huwelijkscontract bestaat.

Ontbreekt dat contract, dan ontbreekt het kind. Soms proberen families dit te omzeilen. Een oudere zus registreert het kind als de hare, of er wordt gewerkt met vervalste documenten. Veel kinderen blijven echter volledig buiten de administratie en daarmee buiten elke vorm van formele erkenning.

Wanneer gezinnen uiteenvallen door armoede, geweld of overlijden, blijft er niets over om op terug te vallen. Het zijn dan ook vaak juist deze kinderen die dan op straat belanden. Niet omdat de straat hen aantrekt, maar omdat de staat hen nooit heeft toegelaten. Straatkinderen zijn zo vaak het eindpunt van een langer traject van uitsluiting, dat al begon vóór hun geboorte.

Onzichtbaarheid als risico

Kinderen zonder papieren zijn kwetsbaar op een manier die verder gaat dan armoede of dakloosheid. Wie geen identiteit heeft, kan niet worden opgespoord, niet worden gemist en zelden worden beschermd. Dat is geen theoretische constatering, maar een praktische realiteit.

Op straat lopen kinderen een verhoogd risico op misbruik en uitbuiting, juist omdat toezicht ontbreekt en verantwoordelijkheid er niet is. Seksueel misbruik, gedwongen arbeid en mensenhandel gedijen bij afwezigheid van registratie en handhaving. Wie geen papieren heeft, kan niet verdwijnen, omdat hij nooit officieel bestond.

Wanneer misbruik plaatsvindt, is er zelden een aangifte, zelden een dossier en vrijwel nooit een vervolging. Niet omdat het misbruik er niet is, maar omdat het kind juridisch nauwelijks te plaatsen is. Zonder identiteit is er geen duidelijk aanspreekpunt, geen sluitend verhaal en geen vervolg.

In dat opzicht is mensenhandel geen losstaand misdrijf, maar een logisch eindpunt van een systeem waarin kinderen administratief verdwijnen. De straat is daarbij niet de oorzaak, maar de plek waar uitbuiting zichtbaar wordt.

NGO’s: hulp zonder macht

Hulporganisaties spelen een zichtbare rol in het leven van straatkinderen, op papier en in samenvattingen voor donateurs. Ze bieden noodopvang, medische zorg en onderwijsprojecten. Dat werk is noodzakelijk en soms van levensbelang. Maar het speelt zich af in de marge, om de overheid te vriend te houden.

Ze kunnen geen wetgeving veranderen, geen politiepraktijken veroordelen en geen registratiesysteem aanpassen. Hun succesverhalen zijn echt, maar het blijven uitzonderingen. Ze worden uitgelicht, terwijl het systeem waarbinnen ze opereren ongemoeid blijft. Wie te lastig wordt, verdwijnt. Amnesty International vertrok jaren geleden uit Egypte omdat werken daar niet langer mogelijk was. Repressie, intimidatie en wettelijke beperkingen zorgden ervoor dat ze nu vanuit Tunesië werken.

Dat bepaalt ook de toon van internationale organisaties. Rapporten spreken over samenwerking en vooruitgang, terwijl harde kritiek op repressie en criminalisering meestal ontbreekt. Het grootste probleem – registratie van kinderen bij geboorte uitsluitend via de vader of een mannelijke verwant, en alleen met een huwelijkscontract – blijft vaak buiten beeld. Zo blijft het probleem beheersbaar op papier, maar hardnekkig in de praktijk.

Waarom dit blijft bestaan

Straatkinderen in Caïro zijn geen tijdelijk probleem en geen gevolg van toevallige keuzes. Ze zijn het resultaat van een samenloop van omstandigheden: armoede, informele huwelijken, gebrekkige registratie, repressief beleid en een staatslogica die kwetsbaarheid verwart met dreiging.

Zolang registratie afhankelijk blijft van formele eisen die voor veel mensen onbereikbaar zijn, blijven kinderen administratief verdwijnen. Zolang straatkinderen vooral worden gezien als veiligheidsprobleem, blijft bescherming ondergeschikt aan controle. En zolang cijfers vaag blijven, blijft verantwoordelijkheid moeilijk aan te wijzen.

Het kind als politiek ongemak

En waarom kinderen op straat als dreiging worden gezien? Toerisme. Egypte is voor een groot deel afhankelijk van toeristen. De piramides, Luxor, de Aswan-dam, Alexandrië met haar geschiedenis, de Rode Zee met haar resorts en duikscholen. Dat beeld botst met kinderen die bedelend bij restaurants staan of toeristen aanspreken met het zoveelste souvenir.

Straatkinderen passen niet in het verhaal van orde, stabiliteit en vooruitgang dat de Egyptische staat wil uitdragen. Ze zijn zichtbaar waar dat verhaal scheurt. Daarom worden ze niet geholpen, maar uit beeld gebracht. Niet erkend, maar verplaatst. Niet beschermd, maar beheerd.

Dit artikel biedt geen oplossing. Het beschrijft een systeem waarin kinderen niet verdwijnen door toeval of falen, maar door wetgeving en beeldvorming. In toeristische gebieden is al langer bekend dat kinderen zonder papieren extra kwetsbaar zijn voor uitbuiting, juist omdat aangifte, registratie en vervolging daar zelden prioriteit krijgen. Een toerist die zich vergrijpt aan een jongetje hoeft zich weinig zorgen te maken. Dat kind bestaat toch niet. Er kraait geen haan naar.

Zolang economische belangen zwaarder wegen dan erkenning en zolang zorg ondergeschikt blijft aan controle en imago, zullen sommige kinderen alleen zichtbaar zijn zolang niemand kijkt.

Wie niet bestaat op papier, hoeft ook niet te worden beschermd.

Het kind dat niet bestaat | b r o n n e n

Opinie

Free Palestine, maar nu even niet

In de tweede week van oktober publiceerden internationale en Nederlandse media berichten over wat zich in Gaza afspeelde na het staakt-het-vuren met Israël. Niet over raketten of bombardementen, maar over Hamas dat opnieuw de straten opging om zijn gezag te herstellen.

Volgens Haaretz en Times of Israel werden tientallen Palestijnen opgepakt en geëxecuteerd wegens vermeende samenwerking met Israël. Video’s van openbare terechtstellingen werden door meerdere redacties geverifieerd. Ook The New York Times bevestigde de echtheid van beelden waarop acht mannen te zien zijn die op hun knieën worden doodgeschoten.

Het patroon was in alle berichtgeving hetzelfde: Hamas herstelt orde door middel van geweld. De groep richt zijn wapens niet langer op Israël, maar op eigen burgers en rivaliserende clans.

Hoe de media keken naar Gaza: van Jeruzalem tot New York

Internationale berichtgeving

Haaretz (Israël)
Hamas shoots opponents in Gaza unimpeded.
Feitelijke toon, gebaseerd op eigen bronnen in Gaza. Hamas verschijnt als regime dat angst gebruikt om gezag te herstellen.
Times of Israel (Israël)
Hamas said to kill over 30 Gazans, publicly execute 7.
Legt de nadruk op aantallen en politieke reacties. De Palestijnse Autoriteit noemt de executies “gruwelijke misdaden”, Trump doet ze af als “ordehandhaving”.
The Guardian (Verenigd Koninkrijk)
Hamas deploys armed fighters and police across parts of Gaza.
Neutrale verslaggeving met diplomatiek taalgebruik. Orde en stabiliteit staan centraal, niet vrijheid of verantwoordelijkheid.
The New York Times (Verenigde Staten)
With Truce in Place, Hamas Pursues Bloody Crackdown on Rivals in Gaza.
Eigen verificatie van videobeelden en interviews met getuigen. Hamas wordt beschreven als autoritaire macht die zijn legitimiteit probeert te herwinnen, met Trumps stilzwijgende toestemming.

Nederlandse berichtgeving

De Telegraaf
De rol van Hamas is wel uitgespeeld.
Politieke invalshoek. Hamas als verliezer, Trump als redder.
NRC
Hamas executeert in Gaza rivalen op straat.
Zakelijke, goed onderbouwde berichtgeving. De nadruk ligt op angst en machtsbehoud.
Volkskrant
Hamas duikt weer op in Gaza en stelt orde op zaken, met het fiat van Trump.
Analyse van macht en diplomatie, minder aandacht voor burgers.
Trouw
Met het bestand probeert Hamas zijn machtspositie terug te pakken.
Beschouwende toon. Ordeherstel wordt erkend, maar niet verheerlijkt.
AD
Met openbare executies wil Hamas orde herstellen in Gaza: ‘Angstaanjagend’.
Visueel en emotioneel geschreven, met nadruk op schrik en chaos.

Wat dit laat zien

De verschillen in stijl zijn groot, maar de kern is overal gelijk: Hamas gebruikt geweld om de macht te behouden. Israëlische en Amerikaanse media legden de nadruk op repressie en angst, Britse en Nederlandse redacties op orde en machtspolitiek. In geen enkel medium werd Hamas voorgesteld als bevrijdingsbeweging.

De vergoelijking

Tegelijk verschenen berichten waarin het geweld niet werd ontkend maar gerechtvaardigd.

De Britse academicus Harry Pettit, verbonden aan de Radboud Universiteit, schreef op X  met zijn account @harrygpettit, dat de geëxecuteerde mannen “collaborateurs [waren] die met de IOF werkten om genocide uit te voeren tegen hun eigen volk”.
Hij voegde eraan toe: “They didn’t survive it – as they shouldn’t.”

Een dag later publiceerde hij een afbeelding van Hamasleider Yahya Sinwar met de tekst: “He will be glorified for generations as a hero who taught us to stand tall against imperial power.”
Ook schreef hij: “Being associated with Hamas should be a badge of honour.”

Het account @OuweDibbes vergeleek de executies met het Nederlandse verzet in 1945: “Waarom zijn de ZIONAZI’s nu zo verontwaardigd als het Palestijnse verzet (Hamas) hetzelfde doet?”

De man achter het dit account, Huso A., staat erom bekend geregeld van identiteit te wisselen: de ene maand presenteert hij zich als Joods, de volgende als een geadopteerde Palestijnse wees of bekeerde moslim. Eerder vertelde hij dat zijn tante was omgekomen bij een aardbeving in Marokko, later dat zijn hele familie in Gaza zou zijn omgekomen tijdens Israëlische bombardementen. Voor de duidelijkheid: het is gewoon een geboren en getogen Fries – met een grote fantasie.

Zijn verhalen veranderen met de actualiteit, maar hebben één constante: ze zorgen voor aandacht, medeleven en soms donaties. Dat hij zich nu opwerpt als verdediger van Hamas past in dat patroon, en zijn berichten – ondanks zijn reputatie – worden regelmatig gedeeld.

Zelfs toen anderen erop wezen dat zijn verhalen aantoonbaar onjuist waren, vond men dat geen probleem.  “Het gaat mij om de argumenten die hij ventileert,” reageerde een van hen. Waarheid werd ondergeschikt aan bevestiging.Zolang iemand maar zei wat in het gewenste verhaal paste, maakte het niet meer uit of diegene loog, manipuleerde of profiteerde.

Het linkse account @Feestbrood schreef: “Omdat het verzet wat collaborateurs en verraders uit de weg ruimt. Geen schaamte, deze mensen.” Een ander, @werkschuwtuig2, beschuldigde RTL Nieuws ervan “consent te creëren voor genocide” door over de executies te berichten.

Voor de duidelijkheid: achter deze accounts zitten dezelfde activisten die eerder probeerden de 5-mei-herdenking op de Dam te verstoren.

Deze reacties vormden geen randverschijnsel. Ze werden gedeeld en herhaald binnen activistische netwerken van studenten en docenten die eerder campagne voerden onder #FreePalestine. Dezelfde kring die Israëlische bombardementen als oorlogsmisdaden bestempelde, verdedigde nu publiekelijke standrechtelijke executies van Palestijnen door Hamas.

De logica was omgekeerd maar consistent: als Israël de vijand is, moet Hamas het verzet zijn – ongeacht wat het doet.
Morele overtuiging verandert zo in loyaliteit.

De stilte van de solidariteit

Die stilte was niet neutraal. Ze werd gevuld met vergoelijking, misleiding en ideologische omkering.

In de dagen dat Haaretz en The New York Times de executies verifieerden, verspreidden activisten berichten waarin Hamas werd geprezen.

Pettit publiceerde een lofzang op Yahya Sinwar: “Today is the anniversary of Yahya Sinwar’s martyrdom. Despite billions of dollars being pumped into Zionist propaganda designed to dehumanize and vilify him, he will be glorified for generations as a hero who taught us all to stand up tall against imperial power and violence.”

De Palestijnen die door Hamas op straat werden geëxecuteerd, kregen van hem een ander label: “They were collaborators who worked with the IOF to carry out a genocide against their own people.”Alles is liefde, daar in Nijmegen.

De taal van bevrijding is taal van dwang geworden. Wie zich verzet tegen onderdrukking, gebruikt dezelfde argumenten om onderdrukking elders te rechtvaardigen.

De ironie is scherp: de beweging die zegt te spreken voor vrijheid, valt stil wanneer die vrijheid intern wordt onderdrukt. Wie ooit “Free Palestine” riep, zwijgt nu wanneer Palestijnen door Hamas worden neergeschoten, of zet de slachtoffers weg als ‘collaborateurs van Israël’.

Dan is blijkbaar alles geoorloofd.

Die stilte is geen onwetendheid, maar een keuze. Ze zegt niet we wisten het niet, maar we willen het niet weten.

Waar empathie ophoudt

De berichtgeving over Gaza laat zien hoe moeilijk het is om morele helderheid te bewaren in een conflict waarin iedereen partij kiest. Feiten worden niet meer getoetst op juistheid, maar op bruikbaarheid.

Wie zegt op te komen voor Palestijnen, zou ook oog moeten hebben voor de Palestijnen die onder Hamas lijden. Dat erkennen is geen verraad, het is een basisvoorwaarde.

De stilte van de afgelopen week legt iets pijnlijkers bloot dan onwetendheid: selectieve empathie. De solidariteit die ooit zo luid klonk, blijkt afhankelijk van wie het kwaad pleegt.

Als Israël bommen gooit, is het verzet moreel.
Als Hamas executeert, is het “complex”.

Het laat zien hoe verontwaardiging werkt als identiteit: niet om slachtoffers te helpen, maar om jezelf aan de goede kant van de geschiedenis te plaatsen. Het gaat niet om mensen, maar om symbolen die bevestigen wat je al dacht.

In die wereld bestaan hiërarchieën van leed. Sommige doden zijn waardevoller dan andere, sommige misdaden beter te verdragen zolang ze door de juiste handen worden gepleegd. Morele overtuiging is dan geen kompas meer, maar een spiegel.

Zolang solidariteit draait om standpunten in plaats van mensen, blijft ze hol.
Vrijheid verliest betekenis zodra ze alleen geldt voor de mensen die in je verhaal passen.

Verder lezen? Klik hier voor een overzicht naar een aantal bronnen.

Vergeten vrouwen

De gouden kooi

In de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië, Qatar en Koeweit worden vrouwen niet onderdrukt op de manier die doorgaans geassocieerd wordt met oorlog, honger of religieuze terreur. In plaats daarvan leven ze in hypermoderne steden vol glinsterende torens, zorgvuldig onderhouden parken, internationale scholen en universiteiten die hun deuren juist voor vrouwen openzetten. Ze lopen over marmeren vloeren in winkelcentra vol westerse merken, krijgen functies bij grote bedrijven en verschijnen in glossy campagnes als het gezicht van de vooruitgang.

Maar achter deze façade, zorgvuldig opgebouwd en gekoesterd door regimes die zich willen presenteren als modern en westersgezind, bestaat een werkelijkheid waarin vrouwen nog steeds geen volledige zeggenschap hebben over hun eigen leven. Niet ondanks hun rijkdom, maar juist daardoor zijn hun beperkingen voor de buitenwereld moeilijker te herkennen. Wat niet in de vorm van armoede of geweld wordt gegoten, lijkt al snel onschuldig, of simpelweg niet urgent genoeg.

De prinses die verdween

In 2018 probeerde prinses Latifa Al Maktoum, dochter van de heerser van Dubai, te vluchten uit de Verenigde Arabische Emiraten. Haar poging was niet het impulsieve werk van een naïef meisje, maar een nauwgezet voorbereide ontsnapping, mede opgezet met een Franse voormalig geheim agent. Ze reed per auto naar de grens met Oman, bereikte daar een boot die haar naar internationale wateren bracht, en stapte vervolgens over op een jacht richting India.

Voor haar vertrek had ze een video opgenomen waarin ze sprak over jarenlange opsluiting, isolatie en mishandeling. “Als je deze video ziet,” zei ze, “dan ben ik dood, of erger.” De boot waarop ze voer werd onderschept door een gezamenlijke operatie van Indiase en Emiratische troepen. Latifa verdween. Jaren later verschenen er foto’s van haar, zittend in een café in Dubai of glimlachend naast VN-functionarissen. Of ze vrij was, of slechts zorgvuldig werd tentoongesteld, bleef onduidelijk.

Haar verhaal staat niet op zichzelf. In 2000 verdween haar zus Shamsa uit Cambridge, waar ze onder begeleiding van personeel verbleef. Ze zou met geweld zijn teruggebracht naar Dubai, maar ondanks meerdere verzoeken van journalisten en mensenrechtenorganisaties is er nooit een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd door de Britse autoriteiten. En dan is er prinses Haya, de voormalige vrouw van sjeik Mohammed bin Rashid Al Maktoum, die met haar twee kinderen naar Londen vluchtte nadat ze ontdekte wat er met Latifa en Shamsa was gebeurd.

In de rechtszaal legde ze verklaringen af over intimidatie, afluisterpraktijken en bedreigingen, terwijl de sjeik zich via diplomatieke kanalen verweerde tegen aantijgingen die hij als “privékwestie” afdeed. Andere verhalen blijven anoniem. Dochters van invloedrijke families die niet mogen trouwen met wie ze willen. Echtgenotes van diplomaten die hun paspoort moeten inleveren bij hun schoonvader. Vrouwen uit de elite die alles lijken te hebben, behalve bewegingsvrijheid.

Controle via familie en technologie

De levens van deze vrouwen worden strak gereguleerd via een combinatie van traditionele familierollen, religieuze interpretaties en moderne technologie. In Saoedi-Arabië was het systeem van mannelijke voogdij jarenlang verankerd in wet en praktijk. Een vrouw had voor vrijwel alles toestemming nodig van een man: om te reizen, te studeren, te werken of medische zorg te ontvangen.

Hoewel hervormingen in 2019 een deel van deze beperkingen formeel hebben opgeheven, bleef de sociale realiteit weerbarstig. In veel families gelden de oude regels nog steeds, en instellingen zoals universiteiten en ziekenhuizen blijven uit angst of gewoonte toestemming vragen aan mannelijke familieleden.

De komst van digitale controlemechanismen maakte deze afhankelijkheid nog indringender. De overheidsapp Absher werd gelanceerd als een manier om overheidsdiensten te vereenvoudigen, maar bevatte onder andere een functie waarmee mannen konden instellen of hun vrouwelijke familieleden het land mochten verlaten. Wanneer een vrouw het vliegveld bereikte, werd automatisch een sms gestuurd naar haar voogd. Hij kon met één klik toestemming geven of intrekken, ongeacht de leeftijd of opleiding van de vrouw in kwestie.

Op vliegvelden werd deze realiteit tastbaar. In de aankomsthallen bestonden speciale wachtruimtes voor “niet afgehaalde vrouwen”. Vrouwen die bijvoorbeeld terugkeerden van een studie in het buitenland, een familiebezoek of een dienstreis, maar het vliegveld niet mochten verlaten zonder dat een mannelijke voogd hen kwam ophalen. Daar moesten zij wachten, soms uren of zelfs dagenlang. Niet als zelfstandige burgers met rechten, maar als objecten, als bagage die moest worden opgehaald. Alsof hun identiteit niet in hun paspoort lag besloten, maar in de toestemming van een ander.

Het decor van moderniteit

Voor de buitenwereld blijft dit systeem grotendeels onzichtbaar. Wat men ziet, zijn de zichtbare tekens van emancipatie: vrouwen die bedrijven leiden, ministersposten bekleden of sportevenementen organiseren. In Qatar worden vrouwelijke academici en studenten naar voren geschoven in internationale conferenties. In Koeweit dragen vrouwen de titel van parlementslid of rechter. In de VAE is er een Minister of State for Happiness, een vrouw.

Maar die zichtbaarheid verhult het lot van duizenden vrouwen die zich dagelijks moeten voegen naar de wensen van hun vader, echtgenoot of broer. Vrouwen die weten dat een echtscheiding hun kinderen kost. Die beseffen dat een klacht tegen mishandeling kan leiden tot opsluiting van henzelf wegens ongehoorzaamheid. En die zwijgen omdat spreken niet alleen hun vrijheid bedreigt, maar de eer van hun familie – en dus hun veiligheid.

Deze tegenstelling tussen façade en fundament maakt hun situatie des te schrijnender. Want in plaats van protest of solidariteit, ontvangen zij bewondering of ongeloof. Hoe kan iemand die woont in een villa, met een bediende, kok, schoonmaakster en chauffeur, zich gevangen voelen? Die vraag is niet alleen naïef, maar veelzeggend in haar onbegrip.

Diplomatieke doofpot

En wanneer deze vrouwen zich durven los te maken, wanneer ze vluchten en asiel aanvragen, wanneer ze hun stem verheffen in rechtbanken of via geheime video’s, dan worden ze niet opgevangen, maar genegeerd.

Westerse regeringen die zich gretig profileren als verdedigers van vrouwenrechten, blijven opvallend stil wanneer het om hun bondgenoten in de Golf gaat. Saoedi-Arabië is een belangrijke afnemer van wapens, de VAE investeert miljarden in Europese havens en techbedrijven, Qatar organiseert wereldkampioenschappen en koestert zijn positie als diplomatieke bruggenbouwer. Die belangen wegen zwaarder dan mensenrechten.

Toen Latifa verdween, sprak niemand haar naam in de Veiligheidsraad. Toen Shamsa uit Groot-Brittannië werd meegenomen, volgde er geen aanklacht. Toen Haya verklaarde dat ze werd geïntimideerd en gevolgd, wuifde de Golfstaat het weg als een privézaak. Zelfs wanneer vrouwen erin slagen te vluchten, worden hun asielverzoeken vaak afgewezen wegens gebrek aan bewijs of “culturele complexiteit”. Sommige ambassades werken stilletjes mee aan repatriëring, onder het mom van familiehereniging. Wat dat betekent, is duidelijk voor wie heeft geluisterd naar de getuigenissen van vrouwen die terugkeerden en vervolgens spoorloos verdwenen.

Tegelijkertijd blijven deze landen internationaal prijzen winnen en investeringen binnenhalen. Ze mogen zichzelf presenteren als hervormers, pioniers en modernisten, waarbij vrouwen worden ingezet als uithangbord. Hun aanwezigheid op podia en in persberichten dient niet hun vrijheid, maar de reputatie van de staat. En zolang dat beeld overeind blijft, blijft het stil rond de vrouwen die nooit worden opgevoerd, tenzij als waarschuwing voor wie probeert te ontsnappen.

Vrijheid zonder glans

De gouden kooi is geen metafoor. Ze bestaat uit muren van reputatie, familiedruk, digitale controle en diplomatieke zwijgzaamheid. Het is een systeem waarin vrouwen alles lijken te hebben, behalve het recht op zelfbeschikking. Waar macht en rijkdom dienen als camouflage voor afhankelijkheid. Waar vrijheid geen recht is, maar een gunst – uitdeelbaar, intrekbaar, en zelden blijvend.

Het is de tiende kooi in een reeks van vergeten vrouwen. De serie begon bij oorlog, slavernij, verkrachting, ballingschap. Maar wie goed kijkt, ziet dat dit verhaal in niets verschilt. Hier is geen puin, geen geweer, geen kamp. Alleen stilte, toezicht, toestemming. Ook hier verdwijnt de vrouw in een systeem dat haar reduceert tot bezit, soms met geweld, soms met een glimlach. En ook hier kijkt de wereld weg, omdat haar verhaal niet past in het beeld dat we willen zien.

Omdat rijkdom, glans en beschaving een betere indruk maken dan de ongemakkelijke waarheid daarachter.

Dit artikel maakt deel uit van de serie Vergeten vrouwen, over vrouwen die leven in onzichtbaarheid, onderdrukking of gevaar. 

De gouden kooi | bronnen

Vergeten vrouwen

Vastgeketend op weg naar vrijheid

Na de val van Khadaffi in 2011 raakte Libië in complete chaos. Het land had geen echte regering meer, en gewapende groepen kregen vrij spel. In die chaos ontstonden smokkelroutes en mensenhandel. Vooral vluchtelingen die via Libië naar Europa wilden, kwamen in gevaar. Vrouwen werden dubbel slachtoffer: eerst als vluchteling, daarna als koopwaar.

Slavenmarkten

In 2017 lieten CNN en andere media schokkende beelden zien van slavenmarkten bij Tripoli. Daar werden migranten bij opbod verkocht. Niet in het geheim, maar gewoon in het openbaar. En na de eerste ophef keek de wereld weer weg. Mannen werden vaak ingezet voor dwangarbeid op boerderijen of in de bouw. Vrouwen golden als “meer waard” omdat ze gebruikt konden worden voor seks.

Volgens getuigen vonden deze veilingen plaats in garages, loodsen of op binnenplaatsen van huizen. De prijzen voor vrouwen lagen tussen de 400 en 1000 dollar, afhankelijk van hun leeftijd, gezondheid of uiterlijk. Wie hen kocht, mocht ermee doen wat hij wilde. Veel vrouwen kwamen terecht in zogenoemde connection houses, dat zijn huizen die worden beheerd door smokkelaars. Daar werden ze verkracht, gedwongen tot prostitutie of opnieuw doorverkocht.

“Ik heb een nachtmerrie verlaten om in de hel te komen,” vertelde Aisha in 2021. Ze was haar land ontvlucht na vijf miskramen. Voor haar schoonfamilie en de buurt was ze ‘een heks’. Het advies dat vrouwen krijgen voordat ze vertrekken? Neem een anticonceptieprik die drie maanden werkt. En als je het kunt betalen: kies de ‘duurdere’ smokkeloptie, met anticonceptie inbegrepen.

Een Nigeriaanse vrouw die wist te ontsnappen, vertelde later dat vluchtelingen als handelswaar werden behandeld: “Soms kwamen mannen gewoon binnen om iemand uit te kiezen. Als je weigerde, kreeg je klappen of dagenlang geen eten.”

Ook in 2025 blijft de situatie grimmig. Vrouwen worden nog steeds onderschept, opgesloten en verhandeld. De markten zijn minder zichtbaar geworden, maar niet verdwenen. Ze zijn verhuisd naar afgelegen plekken en opereren via gesloten netwerken. Het zijn geen openlijke veilingen meer, maar de uitbuiting gaat door. Achter gesloten deuren worden vrouwen nog steeds verkocht en misbruikt.

Die markten zijn er niet alleen in grote steden. Ook in het zuiden van Libië, waar veel vluchtelingen het land binnenkomen, zijn handelaren actief. Ze maken afspraken met smokkelaars in buurlanden en regelen vervoer, opvang en verkoop. Vrouwen die onderweg al verkracht of mishandeld zijn, worden zo opnieuw slachtoffer. Zonder bescherming, zonder rechten.

Mensenrechtenorganisaties blijven rapporten schrijven. Maar die verdwijnen vaak in een la. Ver weg van de vrouwen die ze beschrijven. En zonder gevolgen voor de daders.

Gevangen na ‘redding’

Wie de zee op gaat in een gammele boot, wordt vaak onderschept door de Libische kustwacht. In plaats van hulp krijgen vluchtelingen een ticket terug naar de gevangenis. In die detentiecentra worden mensen geslagen, gemarteld, verkracht en soms zelfs vermoord. Volgens de Verenigde Naties gaat het niet om losse incidenten, maar om systematisch geweld. Vrouwen worden verkracht en raken zwanger. Kinderen lijden honger of verdwijnen spoorloos.

Toch blijven Europese landen samenwerken met de Libische autoriteiten. Sinds 2017 heeft de EU honderden miljoenen euro’s gegeven aan de Libische kustwacht: voor trainingen, boten, materiaal en zelfs luchtsteun. Daarmee worden migrantenboten op zee onderschept en teruggestuurd. Wat als redding wordt gepresenteerd, is in werkelijkheid het begin van een nieuwe hel.

In het beruchte Triq al-Sikka detentiecentrum in Tripoli moesten vrouwen schoonmaken voor de bewakers, en sommigen raakten zwanger na herhaalde verkrachting. Zelfs kinderen zijn niet veilig: ze worden opgesloten, ondervoed, ziek en in sommige gevallen misbruikt of zelfs doorverkocht, bijvoorbeeld via illegale adoptienetwerken.

Gedumpt in de woestijn

Niet alle vluchtelingen overleven de Libische “reis naar vrijheid”. Voor velen, vooral vrouwen en kinderen, eindigt de tocht in de hitte van de woestijn. Smokkelaars en milities behandelen migranten als wegwerpartikelen: “Sommigen die niet kunnen betalen, worden gedood of achtergelaten om van de honger te sterven,” zei de Internationale Organisatie voor Migratie.

Vrouwen die niet meer ‘bruikbaar’ zijn, door ziekte, uitputting of zwangerschap, lopen het risico simpelweg achtergelaten te worden, zonder water of voedsel in de woestijn. Een Libische mensenhandelaar gaf zelfs toe dat de woestijn vol ligt met lichamen van mensen die zijn gestorven van dorst. “De woestijn is bezaaid met ongeïdentificeerde lichamen,” zei hij.

In de zuidelijke stad Sabha, een belangrijk knooppunt op de migratieroute, raakt het mortuarium regelmatig vol met dode lichamen. Smokkelaars dumpen ze bij het ziekenhuis. “De doden worden nooit geïdentificeerd en vaak zonder naam begraven,” aldus een arts. Deze vrouwen en mannen verdwijnen in het zand, anoniem, ongezien, vergeten.

Ook aan de grenzen gebeurt hetzelfde. Migranten die proberen Libië te ontvluchten, of worden uitgezet uit buurlanden, lopen hetzelfde risico. Grenswachters hebben uitgeputte groepen aangetroffen, soms met zwangere vrouwen en kinderen, midden in de woestijn, zonder water, zonder hulp.

Sommigen zijn gered, maar anderen vonden een stille dood in de verlaten grensstreek. Deze verhalen laten zien hoe vluchtelingen worden behandeld als wegwerpmensen. Wie geen nut meer heeft voor smokkelaars of machthebbers, wordt zonder pardon achtergelaten om te sterven.

Geen cijfers, geen bescherming

Niemand weet precies hoeveel vrouwen er vastzitten, verkracht worden of verdwijnen. De Libische autoriteiten registreren hen niet. Hulporganisaties hebben nauwelijks toegang tot de gevangenissen.

Er is geen asielprocedure in Libië. Het land kent zelfs geen echte centrale overheid: in 2025 zijn er nog steeds drie rivaliserende regeringen die elkaar bestrijden. Daardoor is er geen gezag dat verantwoordelijk is voor bescherming van vluchtelingen. Elke regio wordt gecontroleerd door een andere groep, vaak met eigen belangen.

Migranten zijn overgeleverd aan milities en gewapende bendes. De overheid ziet migranten als ‘illegaal’. Er is geen bescherming, geen recht, geen hoop. Milities hebben de macht, en ze gebruiken die om te verkrachten, uit te buiten en te doden. Niemand houdt hen tegen. Misdadigers in uniform of in bendeverband hoeven zelden verantwoording af te leggen voor verkrachtingen, folteringen of moorden op migranten.

Artsen zonder Grenzen, dat jarenlang noodhulp bood in migrantenkampen, werd in 2022 zelfs door Libische autoriteiten het land uitgezet omdat het “migratie zou aanmoedigen”. Het resultaat is een humanitair zwart gat: zonder getuigen, zonder registratie en zonder cijfers blijft het leed van deze mensen onzichtbaar en ontkend.

De rol van Europa

De crisis in Libië wordt mede mogelijk gemaakt door internationale hypocrisie. Westerse landen zeggen mensenrechten belangrijk te vinden, maar nemen ondertussen maatregelen die slavernij en misbruik juist in stand houden.

Wat doet Europa intussen? Het werkt al jaren samen met Libië om migranten tegen te houden. Landen als Italië en organisaties als Frontex geven geld, boten en zelfs drones aan de Libische kustwacht. Ze weten dat vluchtelingen na onderschepping in vreselijke omstandigheden terechtkomen. Maar ze kijken weg.

Met andere woorden: Europese middelen, bedoeld om migratie te beheersen, houden een systeem in stand waarin mensen worden opgesloten, verhandeld en verkracht. Voor de politieke bühne klinkt het als daadkracht. Voor vluchtelingen is het een ramp.

Officieel zegt de EU mensenrechten te verdedigen. In de praktijk besteedt ze grensbewaking uit aan milities die mensenhandel mogelijk maken. Een EU-rapporteur verwoordde het scherp: Europa heeft de foltering uitbesteed.

En het gaat niet alleen om overheden. Ook Europese bedrijven verdienen eraan: ze bouwen gevangenissen, sluiten oliecontracten met strijdende partijen, en leveren materiaal aan instanties die migranten mishandelen.

Er is veel verontwaardiging over sommige crisissen, maar over Libië blijft het opvallend stil. Geen demonstraties, geen vlaggen, geen ingezonden brieven. Geen professor die een petitie start, geen opiniemaker die het opneemt voor deze vrouwen. De lijken in de woestijn raken ons niet. Ze passen niet in het politieke verhaal. En dus zwijgen we.

Dat zwijgen is geen onschuld. Het is onderdeel van het systeem. En het is alles wat deze vrouwen rest: stilte. Dodelijke stilte.

Wat als deze vrouwen onze dochters waren?

We weten het. En we doen het tóch.

Dit artikel maakt deel uit van de serie Vergeten vrouwen, over vrouwen die leven in onzichtbaarheid, onderdrukking of gevaar. 

Vastgeketend op weg naar vrijheid | bronnen

Vergeten vrouwen

Vrouwen als handelswaar

Turkije noemt zichzelf een gastland. Europa prijst het om de opvang van miljoenen Syrische vluchtelingen. Maar achter die lof schuilt een andere werkelijkheid – vooral voor vrouwen en meisjes.

Zij betalen de prijs van ‘opvang’. Niet in de vorm van vrijheid of veiligheid, maar met hun lichaam, hun arbeid, hun stilte. Ze verdwijnen in kindhuwelijken, religieuze huwelijken, zwart werk of misbruik, vaak met instemming van hun omgeving. Wat bescherming heet, is voor hen een wisselkoers geworden. Een dochter minder aan tafel, een vrouw minder met rechten.

Een huwelijk zonder rechten

Veel Syrische meisjes worden uitgehuwelijkt aan oudere Turkse mannen. Vaak gebeurt dat via een religieus huwelijk, gesloten door een imam. Zo’n huwelijk wordt meestal niet officieel geregistreerd bij de overheid. Volgens de wet mag je in Turkije pas trouwen als je 18 bent, maar met toestemming van een rechter kan dat al vanaf 16. Die uitzondering wordt vaak misbruikt, vooral bij vluchtelingenmeisjes.

Zonder officiële registratie hebben deze meisjes geen enkele bescherming. Ze hebben geen recht op alimentatie, geen aanspraak op gezamenlijke bezittingen en geen toegang tot juridische hulp als er iets misgaat. Als het huwelijk eindigt, staan ze met lege handen. Veel van hen worden bovendien ‘tweede’ of ‘derde’ vrouw, in een samenleving waar polygamie officieel verboden is, maar religieus nog altijd voorkomt. Ze zijn volledig afhankelijk van de man en dat maakt hen extreem kwetsbaar voor misbruik en geweld.

Tienermoeders in de schaduw

In steden zoals Sanliurfa, vlak bij de Syrische grens, zien hulpverleners nog altijd jonge meisjes van 14 of 15 jaar die zwanger zijn. Ze zijn vaak uitgehuwelijkt en al moeder voordat hun lichaam daar klaar voor is. Toch melden veel van deze meisjes zich niet bij klinieken of hulpposten. Ze zijn bang. Als ze vertellen hoe jong ze zijn, kan dat leiden tot meldingen bij de autoriteiten, of tot problemen met hun familie of echtgenoot.

Sommigen bevallen daarom thuis, anderen in privéklinieken waar minder vragen worden gesteld. Maar dat brengt grote risico’s met zich mee. Veel van deze meisjes zijn ondervoed, hebben bloedarmoede en krijgen tijdens hun zwangerschap geen medische begeleiding. Hun situatie blijft onzichtbaar – totdat het misgaat, bij de bevalling of met hun gezondheid.

Baby’s die niet bestaan

Veel baby’s van deze jonge moeders worden nooit officieel geregistreerd. Om een geboorte aan te geven bij de Turkse overheid zijn geldige papieren nodig en die hebben deze meisjes vaak niet. Sommigen zijn zelf niet geregistreerd als vluchteling, anderen wonen met een man in een informeel huwelijk dat niet erkend wordt.

Ook vaders laten hun kind vaak niet registreren. Soms omdat ze niet willen dat hun huwelijk met een minderjarige aan het licht komt. Soms omdat ze de moeder aan haar lot overlaten. En voor meisjes zonder papieren of bescherming is er niemand die dat kind namens hen kan aanmelden.

Een kind dat niet geregistreerd is, bestaat juridisch niet. Het heeft geen recht op onderwijs, gezondheidszorg of een paspoort. Geen identiteit, geen toekomst. Vooral ook omdat aan de Syrische kant van de grens registratie lang niet vanzelfsprekend is, lopen deze kinderen een groot risico op stateloosheid.

Veel kinderen die geboren worden uit dit soort religieuze huwelijken in vluchtelingenkampen zijn juridisch compleet onzichtbaar. En zolang ze niet bestaan op papier, blijft uitbuiting onbestraft en blijft het systeem dat hen voortbrengt ongemoeid.

Uitgehuwelijkt voor de huur

Voor veel Syrische gezinnen in Turkije is armoede nog steeds dagelijkse realiteit, versterkt door recente crises zoals de aardbevingen van begin 2023 en de economische instabiliteit daarna. De economie herstelt langzaam, maar veel vluchtelingengezinnen blijven kampen met werkloosheid, stijgende kosten en minimale steun. De nood is hoog en in sommige gevallen leidt dat tot schrijnende keuzes.

Volgens recente rapporten komt het nog altijd voor dat meisjes worden uitgehuwelijkt aan huisbazen of werkgevers, als informele betaling voor onderdak of basisvoorzieningen. Lokale hulpverleners signaleren dat dit vooral gebeurt in gebieden met weinig toezicht en grote concentraties vluchtelingen, zoals in Sanliurfa en Gaziantep. Juist daar komen meerdere risicofactoren samen: overbelaste voorzieningen, een grote informele arbeidsmarkt, sociaal-conservatieve normen en een terughoudende overheid.

Waar armoede uitzichtloos wordt, verandert een kind in een economische transactie en verdwijnt zij in een religieus huwelijk dat niemand registreert. Ze kunnen nergens terecht als ze worden mishandeld en niemand houdt toezicht op wat er met hen gebeurt. Voor de buitenwereld zijn ze onzichtbaar, maar voor hun omgeving zijn ze vooral een mond minder om te voeden.

Structureel falen

Volgens ECPAT hebben Turkse instanties zoals de politie, gezondheidszorg en jeugdzorg vaak niet genoeg kennis of training om deze meisjes op tijd te herkennen en te helpen. Veel professionals weten niet waar ze signalen van misbruik aan moeten koppelen of durven niet in te grijpen, zeker bij religieuze huwelijken die sociaal of cultureel worden getolereerd binnen bepaalde gemeenschappen.

Die huwelijken liggen gevoelig. In sommige wijken en dorpen, vooral in het zuidoosten van Turkije, worden kindhuwelijken religieus gelegitimeerd en sociaal geaccepteerd. Lokale ambtenaren en hulpverleners deinzen er soms voor terug om in te grijpen, uit angst om als bevooroordeeld of ‘westers bemoeizuchtig’ te worden gezien. ECPAT noemt dit een belangrijke reden waarom veel kindhuwelijken onder de radar blijven.

Daar komt bij dat veel meisjes geen Turks spreken. Ze weten niet waar ze hulp kunnen zoeken, of zijn bang dat contact met de autoriteiten leidt tot straf, deportatie of verlies van hun verblijfsstatus. Ook religieuze of sociale druk speelt een rol: meisjes leren vaak dat ze moeten zwijgen om de eer van de familie te beschermen.

Wie misbruik meldt, riskeert veel: gezichtsverlies, verstoting of de volledige ontwrichting van hun leven. Velen zwijgen. Soms uit schaamte, vaak uit angst. Voor deze meisjes is stilte geen teken van instemming, maar van overleven. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: meisjes blijven onzichtbaar, instellingen grijpen niet in en uitbuiting kan gewoon doorgaan, onder het mom van ‘huwelijk’ of ‘familie-eer’.

Niet alleen bruiden

Niet alleen jonge meisjes, maar ook volwassen Syrische vrouwen leven in onzekerheid, afhankelijkheid en sociale uitsluiting. In opvangkampen en steden zijn zij vaak de spil van het gezin, maar zonder papieren, inkomen of bescherming. Ze dragen de zorg voor kinderen, regelen voedsel, houden het huishouden draaiend en werken als het moet, vaak onder erbarmelijke omstandigheden.

Veel vrouwen werken informeel: in de landbouw, de schoonmaak of de textielsector. Zonder contract, zonder rechten. Werkgevers betalen hen slecht of in natura en seksuele intimidatie is wijdverspreid. Wie protesteert, verliest haar werk of wordt bedreigd met uitzetting. Juridisch verweer is vrijwel onmogelijk. Vrouwen zonder officiële status kunnen geen klacht indienen, geen advocaat inschakelen en krijgen zelden toegang tot hulpdiensten.

Hun arbeid houdt gezinnen overeind, maar blijft onzichtbaar. Net als zijzelf.

Vrouw in naam, maar niet in het recht

Ook binnen het huwelijk is de positie van Syrische vluchtelingenvrouwen in Turkije vaak zwak en onzeker. Veel vrouwen zitten in een spiraal van huiselijk geweld en lopen het risico op verlating. Ze zijn volledig afhankelijk van hun echtgenoot – sociaal, economisch én juridisch.

Hoewel polygamie officieel verboden is in Turkije, komt het in praktijk geregeld voor binnen vluchtelingengemeenschappen. Vrouwen worden ‘tweede’ of ‘derde’ echtgenote, zonder rechten of erkenning. Als de man hen mishandelt of verlaat, kunnen ze nergens heen. Ze hebben geen woning op hun naam, geen toegang tot hulp en vaak ook geen familie die hen opvangt.

Zelfs als vrouwen willen scheiden, botsen ze op muren: geen geregistreerd huwelijk betekent geen juridische ontbinding. En geen status betekent geen uitweg. Velen blijven uit angst, uit noodzaak of omdat er eenvoudigweg geen andere optie is.

Vrouwen in vluchtelingenkampen

In officiële opvangkampen en tijdelijke woonfaciliteiten is het leven voor Syrische vrouwen zwaar en vol beperkingen. Hoewel sommige basisvoorzieningen aanwezig zijn, zoals sanitaire units of medische posten, is privacy schaars, veiligheid niet gegarandeerd en zeggenschap vaak afwezig. Vrouwen slapen in overvolle tenten of containerwoningen, delen wc’s met tientallen anderen en durven zich ’s nachts nauwelijks te verplaatsen uit angst voor intimidatie of geweld.

Er zijn meldingen van seksuele uitbuiting binnen en rond kampen, vaak gepleegd door mannen in machtsposities, zoals bewakers, tussenpersonen of zelfs medebewoners. Vrouwen die hun verhaal doen, worden zelden geloofd of beschermd. Vaak verlaten ze het kamp zonder alternatief, wat hen nog kwetsbaarder maakt.

Hulpverlening is gefragmenteerd en zelden afgestemd op vrouwenrechten. Voorlichting, juridische steun of veilige opvangplekken zijn beperkt beschikbaar, als ze er al zijn. Zelfs in de schijnveiligheid van een kamp staan vrouwen er vaak alleen voor.

Vergeten vrouwen

Sinds Turkije zich in 2021 terugtrok uit de Istanbul Conventie, is de positie van vrouwen verder verzwakt. Het enige verdrag dat hen expliciet moest beschermen tegen geweld werd verlaten. Voor Syrische vluchtelingenvrouwen betekende dat nóg minder bescherming, nóg meer stilzwijgen.

De opvangsystemen, deels gefinancierd door Europa, draaien op cijfers. Ze tellen hoeveel mensen een kamp binnenkomen, hoeveel pakketten worden uitgedeeld, hoeveel tenten worden opgezet. Maar ze tellen niet het meisje dat wordt weggegeven als bruid. Niet de vrouw die in stilte wordt mishandeld door de man die ook haar enige toegang tot voedsel en onderdak is. Niet de moeder die haar gezin draaiende houdt met zwart werk, zonder status, zonder zekerheid.

Wat op papier bescherming heet, is in praktijk verlating. In de schaduw van beleid en bureaucratie voltrekt zich een stille humanitaire ramp. Geen natuurramp, geen oorlog, maar een structurele, langdurige ontkenning van vrouwenrechten.

Vrouwen worden niet erkend als slachtoffers, niet gezien als arbeiders en niet beschermd als moeders.

Ze bestaan. Maar ook voor hen blijven de vlaggen opgerold. De universiteiten zwijgen, de studenten kijken weg en activistische docenten hebben hun aandacht elders. Hun naam valt pas weer als het politiek uitkomt bij populisten die het leed gebruiken als argument, maar niets doen aan de oorzaak.

Hun bestaan past niet in het verhaal.
Dus blijft het stil en zijn ze letterlijk vergeten vrouwen.

Dit artikel is mede gebaseerd op onderzoek uit mijn scriptie voor mijn MA Middle Eastern Studies (Universiteit Leiden), waarin ik o.a. de positie van Syrische vluchtelingenmeisjes in Turkije onderzocht.

Dit artikel maakt deel uit van de serieVergeten vrouwen, over vrouwen die leven in onzichtbaarheid, onderdrukking of gevaar. 

Vrouwen als handelswaar | bronnen

Vergeten vrouwen

Verkocht, verkracht, vergeten

Op 3 augustus 2014 viel Islamitische Staat de stad Sinjar binnen, in het noorden van Irak. Tienduizenden Yezidi’s, een kleine religieuze minderheid met wortels die teruggaan tot voor de islam, sloegen op de vlucht en trokken het omliggende gebergte in – een onherbergzaam gebied zonder voedsel, water of beschutting. Velen zouden die dagen in de bergen niet overleven. De aanval markeerde het begin van een geplande campagne van geweld: mannen en jongens werden geëxecuteerd, vrouwen en meisjes ontvoerd, opgesloten en verkocht. Wat volgde, werd later door de Verenigde Naties erkend als genocide, maar door de rest van de wereld grotendeels genegeerd.

Slavernij als systeem

IS rechtvaardigde haar daden met religieuze taal. Onder het kalifaat werd slavernij niet alleen toegestaan, maar officieel georganiseerd. Vrouwen en meisjes uit de Yezidi-gemeenschap, sommigen nog maar kleine kinderen, werden tot eigendom verklaard en als ‘sabiya’ verhandeld op markten in steden als Mosul en Raqqa. Ze werden verkocht, geruild of cadeau gedaan aan strijders, met een prijskaartje en een stempel van religieuze goedkeuring. Verkrachting werd niet verboden, maar gereguleerd. Er waren regels: bidden voor de daad en naleving van eigendomsrechten. Wat voor de buitenwereld onvoorstelbaar was, werd voor IS dagelijkse praktijk. De ontmenselijking was systematisch. Families werden gescheiden, vrouwen keer op keer misbruikt. Het geweld was geen incident, maar beleid.

De rol van vrouwen binnen IS

Ook vrouwen speelden een actieve en vaak wrede rol in het systeem van onderdrukking en geweld. In brigades zoals de Al-Khansaa Brigade, opgericht door IS in 2014, voerden vrouwelijke leden actief de shariawetten uit en bewaakten ze niet alleen de moraal van vrouwen in het kalifaat, maar ook die van vrouwelijke gevangenen. Ze straften vrouwen die ‘ongepast’ gekleed waren en gebruikten zwepen, elektrische kabels en stokslagen tegen zowel volwassen vrouwen als kinderen. Sommigen gaven leiding aan gevangenkampen waar Yezidi-vrouwen werden vastgehouden en speelden een directe rol in hun verkoop of doorverkoop.

Getuigenissen van overlevenden, onder meer verzameld door mensenrechtenorganisaties zoals Yazda en Amnesty, beschrijven hoe IS-vrouwen niet alleen gewelddadig waren, maar ook vernederend, sadistisch en ideologisch fanatiek. Er zijn verslagen van vrouwelijke IS-leden die kinderen mishandelden, moeders uithongerden of persoonlijk betrokken waren bij marteling.

In rechtszaken die na de val van het kalifaat volgden, werden verschillende van deze vrouwen aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan slavernij, mishandeling en marteling. In 2024 begon in Zweden een rechtszaak tegen een vrouw die verdacht wordt van betrokkenheid bij de marteling van Yezidi-gevangenen. De wreedheid binnen IS was niet voorbehouden aan mannen, ook vrouwen droegen het met overtuiging uit.

Welkom thuis?

Voor wie wist te ontsnappen, wachtte niet per se veiligheid. Veel vrouwen keerden terug naar verwoeste dorpen of naar vluchtelingenkampen. Hun huizen waren geplunderd of afgebrand, hun dorpsgenoten dood of gevlucht. Families waren uiteengereten, gemeenschappen onherstelbaar beschadigd.

Velen kwamen terug met trauma’s die nauwelijks onder woorden te brengen zijn: angstaanvallen, wantrouwen, schaamte, stilte. En dan was er nog het stigma. Vrouwen die een kind hadden gekregen van een IS-strijder werden niet zelden gezien als ‘besmet’. In sommige dorpen kregen ze te horen dat hun kinderen niet welkom’ waren. Anderen werden onder druk gezet hun kind af te staan of werden volledig buitengesloten.

Een Yezidi-vrouw in een Duits opvangcentrum vertelde aan een hulpverlener: “Ze vroegen me wie de vader was. Toen ik antwoordde, draaiden ze zich om en lieten me alleen.” In sommige gevallen werd de keuze onmenselijk simpel voorgesteld: je mag terugkeren, maar dan zonder je kind. Voor veel vrouwen betekende ’terugkeren’ dus geen herstel, maar opnieuw verlies. Van hun kind, hun thuis, hun gemeenschap.

Een leven tussen ruïnes

Tot op de dag van vandaag verblijven tienduizenden Yezidi’s in kampen in Koerdistan. De omstandigheden zijn er slecht, perspectief is schaars. Veel kampen bestaan al bijna tien jaar en werden ooit opgezet als tijdelijke noodvoorziening. Wat tijdelijk begon, is voor velen permanent geworden. Gezinnen wonen in tenten of containers, vaak zonder verwarming in de winter of verkoeling in de zomer. Stromend water en elektriciteit zijn instabiel. De meesten zijn werkloos, afhankelijk van humanitaire hulp.

Psychologische zorg is amper beschikbaar. Overlevenden kampen met depressie, posttraumatische stressstoornis en gevoelens van schuld en schaamte – vaak zonder dat daar therapie of begeleiding tegenover staat. Ook kinderen, geboren in gevangenschap of opgegroeid in de kampen, dragen de littekens van geweld dat zij nauwelijks begrijpen.

Onderwijs is gebrekkig of afwezig. Jongeren verliezen jaren van hun leven zonder school of perspectief. Meisjes worden op jonge leeftijd uitgehuwelijkt uit angst voor hun toekomst. Jongens raken hun gevoel van richting kwijt. De kampen zijn geen opvangplaatsen meer, maar een wachtruimte zonder einde.

Duitsland en enkele andere landen boden een beperkt aantal vrouwen en kinderen opvang, waaronder via het zogenaamde ‘Special Quota Project’. Sommigen kregen daar therapie en konden een nieuw leven opbouwen. Maar voor de meesten blijft herstel een verre droom. Hulpverleners spreken van “trauma op trauma”: eerst het geweld, daarna de vergetelheid.

Wie spreekt voor de anderen?

Nadia Murad werd het gezicht van de overlevenden. Ze werd op 19-jarige leeftijd ontvoerd door IS, samen met duizenden anderen uit haar dorp Kocho. Ze werd meerdere keren doorverkocht en verkracht voordat ze wist te ontsnappen.

Ze werd in Mosul gevangen gehouden, maar wist zich met hulp van een islamitische familie te vermommen en te vluchten. Die familie gaf haar onderdak, voorzag haar van een vals identiteitsbewijs en hielp haar in veiligheid te komen in Koerdisch gebied. In plaats van te zwijgen, besloot ze te getuigen.

Ze schreef haar memoires, sprak in de VN-Veiligheidsraad en werd in 2018 bekroond met de Nobelprijs voor de Vrede. Dankzij haar kreeg de wereld een glimp van wat er werkelijk gebeurde. Haar moed gaf andere overlevenden hoop en bood erkenning aan een vergeten tragedie.

Maar voor elke Nadia zijn er duizenden vrouwen die nooit hun verhaal vertelden. Vrouwen die het zwijgen verkozen boven schaamte of verstoting. Vrouwen die in stilte verder leven, soms zonder familie, zonder hulp, zonder thuis. Niet omdat hun verhaal minder schrijnend is, maar omdat er niemand was om het te horen, of om het op te schrijven.

Gerechtigheid laat op zich wachten

De Verenigde Naties concludeerden in 2021 dat er overtuigend bewijs is dat de misdaden van IS tegen de Yezidi’s genocide vormen. Die erkenning kwam laat, en concrete gevolgen bleven grotendeels uit. Er lopen rechtszaken, ook tegen Europese IS-gangers en bedrijven die met IS samenwerkten, maar het aantal veroordelingen blijft beperkt.

Een van de weinige voorbeelden van vervolging is de zaak in Nederland, waar Hasna A. op 11 december 2024 werd veroordeeld tot tien jaar cel. Ze hield in Syrië een Yezidi-vrouw als slaaf en werd schuldig bevonden aan deelname aan IS, slavernij en het in gevaar brengen van haar minderjarige zoon. Het was de eerste keer dat een Nederlandse rechtbank een IS-aanhanger veroordeelde voor misdaden tegen de Yezidi-gemeenschap.

In Duitsland werd in 2021 voor het eerst een man veroordeeld voor genocide op de Yezidi’s, nadat hij een vijfjarig meisje had laten sterven van dorst. Zulke uitspraken zijn uitzonderlijk, niet de regel.

Veel overlevenden voelen zich genegeerd door internationale tribunalen. Ze wachten op gerechtigheid, niet alleen symbolisch, maar concreet: berechting van daders, compensatie voor slachtoffers en erkenning van hun lijden. Zolang dat uitblijft, blijft de indruk bestaan dat hun levens minder waard zijn dan die van andere slachtoffers van oorlog en terreur.

De prijs van zwijgen

Opvallend is de stilte van veel mensen die zich profileren als verdedigers van mensenrechten en vrouwenrechten. Waar universiteiten worden bezet, vlaggen worden gehesen en krantenkolommen volgeschreven worden over Gaza, blijft het rond de Yezidi-genocide al jaren ijzig stil. Geen spandoeken. Geen protestmarsen. Geen opiniestukken. De selectieve verontwaardiging is pijnlijk zichtbaar. Wie bepaalt welk lijden telt? En wie blijft onzichtbaar, omdat hun verhaal niet in het juiste geopolitieke frame past?

De stilte ná het geweld is dodelijker dan het geweld zelf. Zolang deze vrouwen niet worden erkend, herdacht en ondersteund, blijft de misdaad voortbestaan. Zonder herinnering is er geen herstel. En zolang het collectief geheugen hen vergeet, blijven deze vrouwen niet alleen slachtoffers van wat hen is aangedaan – maar ook van wat wij weigeren te zien.

In de woorden van een overlevende: “Ik wil niet dat mijn dochters mijn verleden erven. Maar ik wil wel dat de wereld het onthoudt.”

Dit artikel maakt deel uit van de serieVergeten vrouwen, over vrouwen die leven in onzichtbaarheid, onderdrukking of gevaar. 

Verkocht, verkracht, vergeten | bronnen

Vergeten vrouwen

Zomerbruiden

“Sommige meisjes zijn zestig keer getrouwd vóór hun achttiende.”
– Max Fisher, The Washington Post

De wet verbiedt kindhuwelijken, maar is een papieren tijger in een samenleving waar armoede allesbepalend is. Het is geen strijd, het is overgave.

Elke zomer worden er talloze tijdelijke verbintenissen gesloten tussen buitenlandse mannen en (piep)jonge Egyptische meisjes, soms nog geen twaalf jaar of jonger. De prijs bij het eerste huwelijk, als ze nog jong en maagd zijn? Misschien zo’n $7.500, daarna daalt de waarde van het meisje snel.

De wereld neemt niet eens de moeite om weg te kijken, want de wereld weet amper dat het bestaat.

Wat zijn zomerbruiden?

Een zomerbruid is een tijdelijke echtgenote. Het zijn religieuze, niet-geregistreerde huwelijken: wettelijk waardeloos, religieus gelegitimeerd. Deze “Sunni marriages” legitimeren seksueel contact volgens religieuze normen, maar laten het meisje zonder rechten achter.

Het huwelijk begint wanneer een man, meestal een toerist uit de Golfregio, een dure “bruidsschat” betaalt aan de familie van het meisje in ruil voor het trouwen met haar voor een bepaalde periode. Dit kan variëren van dagen tot maanden, afhankelijk van wat de man wil. Als het huwelijk alleen voor de zomermaanden is, wordt het een zomerhuwelijk genoemd.

In ruraal Egypte wordt dit systeem breed geaccepteerd als sociale overlevingsstrategie. De meisjes zelf? Die krijgen uitbuiting, een levenslang trauma en schaamte. En als ze geluk hebben, krijgen ze geen kind.

En voor de man is het eenvoudig: vakantie, seks, geen verplichtingen. En zijn vrouw, kinderen en personeel? Die zitten op hem te wachten in een vijfsterrenhotel of het huis dat is gehuurd voor de zomermaanden.

Waarom gebeurt dit?

De oorzaken zijn meervoudig: armoede, ongelijkheid, patriarchale normen en religieuze rechtvaardiging vormen samen een giftig mengsel. Voor veel families is een dochter een economische last die kan worden verzilverd.

Soms fungeert zij letterlijk als hefboom: het geld dat haar tijdelijke huwelijk oplevert, wordt gebruikt om een betere match te regelen voor haar broer. Een duurdere bruidsschat, een groter huis. Zo wordt de eer van de familie hersteld via het lichaam van het minst gewaardeerde lid. Het is patriarchale economie in zijn zuiverste vorm.

Culturele normen versterken het probleem. Seks buiten het huwelijk is verboden, maar een huwelijk kan alles legitimeren, zelfs als het maar twee uur of twee dagen of twee weken duurt. Een meisje dat niet op tijd wordt uitgehuwelijkt, loopt volgens haar omgeving risico haar eer te verliezen.

Religieuze leiders spelen hier soms actief in mee. Sommige geestelijken helpen bij het opstellen van contracten of zegenen het huwelijk in, zonder vragen te stellen. In sommige dorpen liggen standaardcontracten kant-en-klaar in de boekhandel.

De buitenwijken van Caïro zijn ongelooflijk arm. Een kwart van de inwoners moet rondkomen van minder dan twee dollar per dag. Dit speelt sekstoeristen in de kaart. De prijs voor een meisje is afhankelijk van haar uiterlijk, leeftijd, duur van het huwelijk en of ze al dan niet maagd is.

Deal?

Er zijn zelfs pakketdeals. Er wordt precies omschreven wat er met een meisje gedaan mag worden, hoe vaak ze te eten krijgt, of ze de hotelkamer of het appartement mag verlaten. Of ze kleding krijgt – die vaak bij thuiskomst wordt afgepakt en verkocht. Of ze bezoek van haar familie mag ontvangen.

De bruidegom kan een zuiver geweten behouden, aangezien buitenechtelijke seks in de islam verboden is. Hij loopt ook geen enkel risico op een strafrechtelijke vervolging als gevolg van het huwelijkscontract. Als hij klaar is met het meisje, wordt het contract verscheurd en gaat zij terug naar haar familie. Zijn echte naam? Weten ze vaak niet eens, de enige kopie van het contract is van de man en die verdwijnt net zo snel als dat zijn vliegtuig naar huis op kan stijgen.

Wie profiteert?

Het systeem draait als een goed geoliede machine, maar deze zomerhuwelijken zijn in feite mensen- en sekshandel. De praktijk piekt zoals gezegd in de zomer. In een land waar meer dan een kwart van de bevolking onder de armoedegrens leeft, zijn er hele dorpen waar arme gezinnen hun dochters gewoon verkopen om zichzelf te voeden.

Families ontvangen een directe betaling. Makelaars innen commissies die soms hoger zijn dan het bedrag dat de families ontvangen. De Egyptische staat krijgt toeristen en economische activiteit. En de banken profiteren van het beschermingsgeld dat buitenlandse mannen moeten storten wanneer er een leeftijdsverschil van 25 jaar of meer is.

Die 50.000 pond (zo’n 1.500 euro) zou het meisje moeten beschermen. In werkelijkheid komt het geld zelden bij haar terecht. En zelfs als dat zo zou zijn: welk bedrag maakt goed dat je als veertienjarige wordt verkocht aan een man van zestig?

Wat zijn de gevolgen?

De meisjes raken getraumatiseerd, gestigmatiseerd, verstoten. Sommigen worden meerdere keren uitgehuwelijkt. Meisjes trouwen acht keer voor hun achttiende verjaardag, of twintig keer, of … vul zelf maar in.

Ze zijn niet wettelijk getrouwd en dus is er geen scheiding, geen alimentatie, geen bescherming. Na afloop zijn ze ‘gebruikte waar’, vaak niet meer huwbaar binnen hun gemeenschap, want immers geen maagd meer.

Het zijn geen vrouwen, het zijn meisjes. Minderjarig, soms nog voor hun pubertijd. En bij hun eerste huwelijk leveren ze geld op, omdat ze nog maagd zijn. Hoe vaker ze trouwen, hoe minder waard ze worden. Elke herhaling verlaagt hun marktwaarde. Hun lichaam is handelswaar met een houdbaarheidsdatum, waar een hele familie van meeprofiteert.

Kinderen zonder naam

Veel van deze huwelijken worden religieus ingezegend, maar niet civiel geregistreerd. De kinderen die eruit voortkomen bestaan juridisch niet. Zonder geboorteakte is er geen toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, paspoort of bankrekening.

In sommige gevallen worden deze kinderen ondergebracht bij familieleden, bijvoorbeeld een oudere zus die hen als haar eigen kind registreert. Maar de meesten verdwijnen uit het systeem. Er zijn zeer weinig gegevens over straatkinderen in Egypte, hun kenmerken en de ernst van de problemen waarmee ze worden geconfronteerd.

De problemen die ze levenslang hebben, zijn echter enorm. De kinderen geboren uit ongeregistreerde, tijdelijke huwelijken hebben geen naam, geen rechten, geen bescherming.

Vergeten vrouwen

Egypte kent wetten tegen kindhuwelijken en mensenhandel. Maar handhaving is zeldzaam en vervolging vrijwel afwezig. Huwelijken onder de achttien mogen niet worden geregistreerd, worden niet strafbaar gesteld. Het systeem draait op grijze zones, religieuze legitimatie en economische noodzaak. De overheid schermt haar toeristische imago af, maar sluit tegelijk de ogen voor de slachtoffers. Kinderrechtenactivisten worden tegengewerkt.

En in de rest van de wereld? Geen protestmarsen. Geen hashtags. Geen internationale campagnes. Deze meisjes zijn geen prioriteit voor VN-commissies, ze schrijven af en toe een rapport dat in een la verdwijnt en kijken over vijf jaar nog een keer naar de stand van zaken.

Feministische opiniemakers of talkshows? Die zijn even te druk bezig met hun gasten die keer op keer benadrukken dat ze mensenrechten en internationaal recht écht heel belangrijk vinden – in Gaza, dan. De rest van de wereld mag gewoon verder creperen.

En de zomerbruiden zelf? Hun stem verdwijnt onder een sluier van schaamte, religie en economische belangen. Ze zijn kinderen in een jurk. Gekocht, gebruikt, vergeten.

Zomerbruiden zijn geen uitzondering, maar systeemslachtoffers. En zolang de wereld zwijgt, blijft hun stem verloren.

Zomerbruiden zijn geen randgevallen, maar routine. Hun leven is koopwaar, hun lichaam is een seizoensartikel. Verkocht, gebruikt, vergeten.

Dit artikel maakt deel uit van de serie Vergeten vrouwen, over vrouwen die leven in onzichtbaarheid, onderdrukking of gevaar. 

Zomerbruiden in Egypte | bronnen

Vergeten vrouwen

Van frontlijn naar voetnoot

In de hoogtijdagen van de strijd tegen IS kregen de YPJ (Vrouwenbeschermingseenheden) wereldwijde aandacht. Jonge Koerdische vrouwen in camouflagekleding, lang haar en vastberaden blikken werden door Westerse media verheerlijkt als ‘Koerdische amazones’. Niet alleen de westerse pers, maar ook volledige fotoreportages legden hun training, missie en idealen vast.

Iconen van verzet

Hun motivatie: niet alleen vechten tegen IS, maar ook tegen patriarchale structuren in hun eigen gemeenschappen. Onder invloed van de ideologieën van Abdullah Öcalan was zelfbeschikking en gendergelijkheid een wezenlijk onderdeel van hun gevechtsrol. Soldates kregen les in vrouwenrechten en werden aangemoedigd daarover na te denken en ervoor op te komen. Volgens de vrouwen zelf probeerden ze de samenleving te veranderen door het islamitische denken en de heersende tradities binnen hun gemeenschap te confronteren, desnoods met een wapen in hun hand.

De YPJ speelde daarnaast een cruciale rol bij het redden van duizenden Yezidi’s die in augustus 2014 vastzaten op de berg Sinjar in Noord-Irak, hun leefgebied. Yezidi’s zijn een etnisch-religieuze minderheid met een eeuwenoude, eigen geloofstraditie en ze waren omsingeld door IS-strijders. Die missie werd wereldwijd erkend als een van de meest heroïsche reddingsoperaties van het conflict met IS.

Van frontlinie naar vergetelheid

De YPJ‑strijders stonden letterlijk aan het front van de strijd tegen Islamitische Staat. Ze bevrijdden steden als Kobani, Manbij en Raqqa van jihadistische bezetting, vaak huis voor huis, straat voor straat. De vrouwen vochten niet alleen tegen een gewelddadige vijand, maar ook voor een radicaal ander maatschappelijk model, waarin vrouwenrechten, democratie en seculier bestuur centraal stonden. Zij waren de schokgolf die de frontlinie doorbrak en daarmee ook het stereotype van de onderdrukte vrouw in het Midden-Oosten.

Maar toen IS eenmaal militair verslagen was, draaide de wereld zich om. Turkije zag in deze vrouwen geen bevrijders, maar ’terroristen’, vanwege de ideologische en organisatorische verwantschap met de PKK. Onder toeziend oog van de internationale coalitie, inclusief de VS en EU, begon een nieuwe campagne, dit keer gericht tégen hun voormalige bondgenoten. Turkse drones en gevechtsvliegtuigen vielen posities van de YPJ aan. Commandanten werden geliquideerd. Sommigen stierven in gerichte aanvallen, anderen verdwenen in gevangenissen of werden gedwongen te vluchten.

Een van de bekendste slachtoffers was Anna Campbell, een Britse YPJ‑strijdster uit Lewes, Engeland. Ze sloot zich aan bij de YPJ om te vechten tegen IS én om deel te zijn van de feministische revolutie in Rojava. Op 15 maart 2018 kwam ze om het leven bij een Turkse luchtaanval in Afrin. Haar lichaam kon niet worden gerepatrieerd, omdat Turkije en Turkse milities de toegang tot het gebied blokkeerden. De Britse regering sprak haar dood nauwelijks tegen en ondernam geen poging om haar lichaam terug te halen.

De NAVO keek eveneens de andere kant op. Strategische belangen – een fragiele relatie met Ankara, militaire bases in Turkije, grensbewaking – wogen zwaarder dan solidariteit met de vrouwen die meevochten tegen het kalifaat. Wat resteerde, waren vluchtelingenkampen als Ain Issa en al-Hol: broedplaatsen van wanhoop, zonder juridische status of internationale bescherming.

Daar bevinden zich ook veel vrouwen en kinderen, de IS-bruiden, van wie de herkomstlanden vaak weigeren hen terug te nemen. Hierdoor leven ze jarenlang in een juridisch vacuüm, onder erbarmelijke omstandigheden, met hun kinderen. Voor YPJ-vrouwen betekent dit dat ze hun kamp moeten delen met de ideologische erfgenamen van de vijand die zij bevochten, een wrang symbool van hoe onverschillig de wereld is geworden voor hun offers.

Daar eindigde de revolutie voor vrouwen in de frontlinie tegen IS. Niet met een nederlaag, maar met desinteresse.

Leven na de strijd

Veel vrouwen leven in kampen of de diaspora. Ze zijn stateloos, ontheemd, rechteloos. Sommigen die voor Europa kiezen, ondervinden moeilijkheden bij erkenning van bloedbanden, trauma’s en mentale begeleiding. Traumaverwerking en reïntegratie zijn voor het grootste deel afwezig.

Een voorbeeld hiervan is een Koerdische vrouw uit Deir ez-Zor, geciteerd door Human Rights Watch in hun rapport van maart 2021. Zij belandde na de val van IS in een detentiecentrum in Noordoost-Syrië. In het kamp heeft ze geen toegang tot juridische bijstand of medische zorg en ze vreest zowel voor represailles van pro-Turkse milities als voor wraak van IS-aanhangers in hetzelfde kamp. “Ik vocht tegen IS, maar nu zit ik opgesloten met hun vrouwen,” zegt ze in het rapport. Haar status als voormalige strijdster maakt haar tot een doelwit én tot een vergeten pion in een geopolitiek schaakspel.

Een ander voorbeeld is Rohilat Afrin. In een interview met het Rojava Information Center beschrijft zij hoe de terugtrekking van buitenlandse troepen, aanhoudende Turkse aanvallen en de onverschilligheid van de internationale gemeenschap hebben geleid tot isolement en onveiligheid voor vrouwelijke strijders. Hoewel ze haar regio niet verliet, spreekt ze over het verlies van bescherming, idealen en publieke erkenning. Haar verhaal belichaamt het bredere lot van YPJ-leiders die ooit symbool stonden voor bevrijding, maar nu vooral vechten tegen vergetelheid.

Tijdelijk nieuws, permanent vergeten

De YPJ‑vrouwen waren niet alleen symbolen of narratieve inzet. Ze stonden aan het front van de strijd tegen een van de meest gewelddadige en vrouwenhatende bewegingen van deze eeuw, IS. Ze riskeerden hun leven, werden internationale iconen en vormden de ruggengraat van een democratisch project dat vrouwenrechten en gelijkheid centraal stelden in een regio die daar zelden ruimte voor biedt.

Toch werden ze, zodra de strategische belangen verschoven, ingeruild voor stilte. Hun inzet werd tijdelijk nieuws, hun idealen gereduceerd tot diplomatiek ongemak. Terwijl Turkije hen bombardeerde, zwegen NAVO‑partners. Terwijl zij opgesloten werden in kampen, liepen IS-bruiden vrij rond of werden voorzichtig teruggehaald. Terwijl zij vechten om te overleven – vergeten, zonder staat, zonder erkenning – beweegt de wereld verder alsof hun strijd nooit plaatsvond.

Hun strijd tegen IS was in de frontlinie. Hun bestaan nu minder dan een voetnoot.

Van frontlijn naar voetnoot | bronnen

Vergeten vrouwen

Tussen sharia en stilte

In Idlib regeren jihadisten. In de kampen is het overleven. Syrische vrouwen worden onderdrukt, uitgebuit en gescheiden van de wereld – en van zichzelf.

Wie onzichtbaar is, verdwijnt ook van de radar van hulp, beleid en pers. In het noorden van Syrië, in Idlib, bepaalt een streng-islamitische groep wat vrouwen wel en niet mogen. En dat is vooral: weinig. Amper werk, scholing of vrijheid.

Een sluier van macht

De groep Hay’at Tahrir al-Sham (HTS) heeft sinds 2017 de macht in handen. Ze zeggen dat ze ‘orde’ brengen, maar regeren met religieuze dwang. In Idlib hebben ze een meedogenloos beleid ingevoerd ten aanzien van vrouwen: strikte kledingvoorschriften, beperkte bewegingsvrijheid en uitsluiting uit het openbare leven. Wie zich verzet, loopt gevaar. Zelfs hulporganisaties worden tegengewerkt als ze iets met vrouwenrechten doen. Wie protesteert, loopt risico.

HTS heeft een moraalpolitie die vrouwen op straat aanspreekt of oppakt. Vrouwen die zich uitspreken, worden beschuldigd van het verspreiden van onrust. Activisten verdwijnen uit beeld. Niet alleen omdat ze moeten zwijgen, maar omdat het te gevaarlijk is om zichtbaar te zijn.

Tegelijk proberen Europese diplomaten HTS salonfähig te maken. In mei ontving Frankrijk de nieuwe politieke leider van het HTS-gedomineerde ‘Syrische Nationale Leger’ voor een officieel bezoek – de eerste keer dat een Europese staat de deur openzet voor deze zogenaamd ‘gematigde’ jihadisten. En volgens Reuters werkt HTS actief aan hun herpositionering, waarbij ze islamitische wetgeving combineren met het politienetwerk van het oude Assad-regime.

Kort gezegd: de verklaring bevestigt dat islamitische wetgeving de basis blijft van het rechtssysteem. Vrouwenrechten en individuele vrijheden worden weliswaar op papier erkend, maar alleen binnen de grenzen van diezelfde ideologische kaders. Terwijl Ghalia Rahhal ondergedoken lesgeeft aan vrouwen zonder stem, wordt haar onderdrukker onthaald als gesprekspartner.

Verzet achter gesloten deuren

HTS is voortgekomen uit jihadistische fracties die zich losmaakten van de bredere opstand tegen Assad. Volgens Ghalia Rahhal was de druk op hulpgroepen politiek gemotiveerd. Imams predikten tegen vrouwenorganisaties en beschuldigden hen van corruptie. Mensen werden gewaarschuwd uit de buurt te blijven. Vrouwen kregen waarschuwingen of werden opgeroepen voor verhoor.

Rahhal verloor haar zoon, overleefde een moordaanslag en werd meermaals bedreigd. Toch bleef ze vrouwen trainen. Over leiderschap. Over jezelf durven uitspreken. Over iets doen, hoe klein ook. Ze gaf les achter gesloten deuren, met niets anders dan woorden en moed.

Een collega vertelde hoe HTS haar ooit opriep. Niet voor overleg, maar om duidelijk te maken welke onderwerpen verboden waren: kindhuwelijken, echtscheiding en alles wat met gelijkheid te maken had.

Kampen zonder veiligheid

In de vluchtelingenkampen rondom Idlib is het nauwelijks beter. Vrouwen die hun huis ontvluchtten, kwamen terecht op plekken zonder veiligheid. De kampen zijn overvol. Er is geen privacy, geen verlichting, geen bescherming.

Sommige vrouwen ruilen seks voor voedsel of onderdak. Geen keuze, maar noodzaak. Een vrouw vertelde hoe ze haar lichaam gaf in ruil voor brood. Niet uit vrije wil, maar omdat ze geen andere optie had. Hulp bij trauma? Nauwelijks. Veiligheid? Ook niet. Wie iets meemaakt, zwijgt.

De omstandigheden zijn slecht. Donkere paden, gedeelde wc’s zonder slot, geen toezicht. Vrouwen worden lastiggevallen, verkracht, mishandeld of gedwongen tot prostitutie. Klagen helpt zelden, zeg maar gerust: nooit. Vaak gelooft niemand hen, omdat de daders soms hulpverleners of kampbewoners zijn. Degenen die bescherming zouden moeten bieden, grijpen hun kans in de schaduwen van de tenten.

Een meisje van twaalf in ruil voor een huis

In kampen langs de Turkse grens komt daar nog iets bij: kindhuwelijken. Families zonder geld huwelijken hun dochters uit aan oudere mannen. Soms Turken, soms andere Syriërs. In ruil krijgen ze geld of een woning. Meisjes van twaalf of dertien verdwijnen zo in religieuze huwelijken – vaak zonder enige vorm van registratie.

Een onderzoek van ECPAT en berichtgeving in The Independent tonen aan dat deze praktijken tijdens de coronapandemie toenamen, maar ook nu nog plaatsvinden. Vaak gaat het om onofficiële nikah-huwelijken, waarbij meisjes geen enkele juridische bescherming hebben. Soms worden ze ‘tweede vrouw’, soms leven ze als dienstmeisje onder het mom van huwelijk. Seksuele uitbuiting en arbeid gaan hand in hand.

Voor de buitenwereld lijken ze niet te bestaan. Geen naam, geen papieren, geen rechten. Maar ze leven in angst, afhankelijkheid en zonder toekomst.

Als niemand luistert

Journalisten mogen het gebied niet in. Hulporganisaties hebben slechts beperkt toegang, mede door veiligheidsoverwegingen, restricties vanuit HTS en een gebrek aan internationale druk. Volgens onder andere Human Rights Watch en het Syria INGO Regional Forum zijn veel hulpverleners terughoudend om fysiek aanwezig te zijn in Idlib, juist vanwege de onvoorspelbaarheid van het lokale bestuur en het risico op gijzeling of beschuldiging van spionage. En beleidsmakers kijken weg. Want Idlib – en de rest van Syrië – is ingewikkeld. Geen olie. Geen bondgenoten. Geen headlines. En dus: geen actie.

HTS presenteert zich als een functionerende overheid, met raad en rechtbank. Maar vrouwen hebben geen stem. Ze mogen niet stemmen en amper functies bekleden. Onderwijs is er nauwelijks – of alleen achterin lokalen, gescheiden van jongens en zonder lesinhoud die buiten de religieuze kaders valt. Volgens een rapport van Enab Baladi heeft de HTS-gelieerde “Salvation Government” muziek en tekenen volledig uit het lesprogramma geschrapt. Wie protesteerde, verloor zijn baan. Wat overblijft is onderwijs dat gehoorzaamt, niet bevraagt. Vrouwen zijn uit beeld, uit beleid, uit bescherming.

En de rest van Syrië?

Ook buiten Idlib is de situatie voor vrouwen nijpend. Sinds het uiteenvallen van het Assad-regime is het machtsvacuüm in verschillende gebieden gevuld door milities, lokale clanstructuren of buitenlandse invloed. In veel van deze zones gelden ad-hocregels, zonder bescherming of rechtszekerheid voor vrouwen. In voormalig door Assad gecontroleerde gebieden blijven arrestaties, intimidatie en seksueel geweld doorgaan – maar nu vaker in het geheim. Vrouwen worden ingezet als ruilmiddel in politieke onderhandelingen, onderworpen aan lokale wraakacties, of simpelweg genegeerd in de wederopbouw.

Sommige vrouwen kunnen werken of studeren, maar alleen zolang ze zich conformeren aan de ideologische of militaire machthebbers. Vrouwenrechten bestaan op papier, maar worden in de praktijk ondermijnd. In plaats van zichtbaarheid en veiligheid is er stilstand, angst en afhankelijkheid. Waar je ook kijkt in Syrië: de vrijheid van vrouwen is het eerste dat verdwijnt, en het laatste dat terugkomt.

Wat gebeurt er als vrouwen verdwijnen?

Wat gebeurt er als vrouwen verdwijnen? Ze verdwijnen uit beleid. Uit hulp. Uit aandacht. En uiteindelijk uit hoop.

Ghalia Rahhal is de uitzondering. Maar voor elke Ghalia zijn er duizenden anderen. Vrouwen die ooit een leven hadden, en nu alleen nog overleven. Hun verhalen bestaan. Maar niemand hoort ze.

Wil je dat dat verandert? Dan begint het hier: door te kijken. Door te luisteren. Door hun verhalen te delen. En niet weg te kijken.

Zolang deze vrouwen onzichtbaar blijven, gesluierd, genegeerd, buitengesloten, wint de vergetelheid het van hun stem. Niet omdat hun verhaal onbelangrijk is, maar omdat niemand het nog wíl horen. Intussen krijgt een knullig bootje naar Gaza dagenlang media-aandacht, staan opiniemakers in de rij voor verontwaardiging – en blijven de vlaggen voor Syrië in de kast. Geen columns. Geen protesten. Geen hashtags. Alsof deze vrouwen niet bestaan.

Dit artikel maakt deel uit van de serie Vergeten vrouwen, over vrouwen die leven in onzichtbaarheid, onderdrukking of gevaar. Eerder verschenen delen over Iran, Jemen en Afghanistan.

Bronnen