Politiek

Wegkijken als beleid

Er zijn helaas veel problemen in de wereld. We zouden elke week een verklaring kunnen afgeven.

Aldus Rianne Letschert, in reactie op oproepen om een statement te maken over Iran en de samenwerking met een Iraanse universiteit.

Begin maart loopt Letschert in toga langs pro-Palestijnse demonstranten bij de viering van vijftig jaar Universiteit Maastricht. Ze is dan nog rector van die universiteit, lid van de Taskforce Antisemitismebestrijding en bruggenbouwer van naam. Een paar maanden later wordt ze informateur en wordt ze in de Taskforce vervangen.

In februari 2026 publiceert die Taskforce het rapport Gevangen in Vrijheden, dat concludeert dat onderwijsinstellingen meer moeten doen om de sociale veiligheid van Joodse studenten te verbeteren.

Op 16 maart zit Letschert als onderwijsminister aan tafel wanneer de bestuurder van de Joodse school Cheider in Amsterdam, na een aanslag op die school, premier Jetten laat weten diep teleurgesteld te zijn over het uitblijven van maatregelen.  Ook nu blijven concrete toezeggingen uit.

Vier functies, één naam en telkens hetzelfde resultaat, of beter: het uitblijven daarvan precies op de momenten waarop het ertoe doet.

Dat is niet gewoon pech. Dat is beleid.

Wat er in Maastricht gebeurde onder haar rectoraat leest als een stappenplan voor hoe je een probleem laat groeien zonder er ooit op te worden afgerekend, en er vervolgens carrière mee maakt.

De Syrische activiste Rawan Osman kon haar lezing niet afmaken omdat de sfeer zo dreigend was dat de politie moest ingrijpen. Een bijeenkomst met een Joodse spreker werd geweigerd omdat het bestuur ‘terughoudend’ zou zijn met externe sprekers, terwijl er wekelijks meerdere pro-Palestijnse activiteiten gewoon doorgang vonden en de actiegroep die daarvoor verantwoordelijk was een eigen kantoor op de campus kreeg.

Wat terughoudendheid precies betekent, lijkt niemand te weten.

De banden met Israëlische universiteiten werden bevroren en breed uitgemeten, terwijl de samenwerking met een Iraanse universiteit waar de Basij actief is gewoon doorliep, tot die stilzwijgend werd beëindigd.

De voorzitter van de Limburgse hoofdsynagoge schreef haar destijds, naar aanleiding van het interne onderzoek van de universiteit, dat het er niet op gericht leek om de waarheid boven tafel te krijgen, maar om de bestuurders vrij te pleiten. Haar reactie beperkte zich tot de constatering dat de lezing niet goed was voorbereid en begeleid, terwijl ze over de antisemitische uitingen zelf zweeg. Joodse studenten vroegen om concrete maatregelen en kregen geknik terug en een hand die werd vastgehouden, als vervanging voor beleid.

Dat was het.

Terwijl ze dit liet liggen, schreef Letschert intussen mee aan een rapport dat stelt dat instellingen hun best moeten doen om Joodse studenten meer veiligheid te bieden. Toen dat rapport verscheen, zat ze als minister aan tafel bij een gesprek waaruit opnieuw geen enkele toezegging voortkwam. De cirkel is rond, alleen niet voor de Joodse scholieren om wie het zou moeten gaan.

Aan diezelfde tafel zat op 16 maart ook bestuurder Herman Loonstein van school Cheider. Hij was daar niet om zijn emoties te uiten, maar om te horen wat de overheid doet om Joodse scholieren te beschermen. Dat hoorde hij niet. Wat hij wel hoorde, was dat antisemitisme vaker moet leiden tot aangifte en vervolging, en dat premier Jetten alles op alles wil zetten om via educatie mensen te laten inzien dat dit gewoon niet kan.

Via educatie.

Dit is hetzelfde onderwijssysteem waarin een derde van de jongeren niet goed genoeg kan lezen om mee te doen in de samenleving, waarin scholen al jaren worden omgebouwd tot plekken waar alles bespreekbaar is behalve het gebrek aan kennis. Datzelfde systeem gaat antisemitisme oplossen met een les en wat vrijgemaakt geld voor Holocausteducatie, wellicht gegeven door geschiedenisdocenten die eerst moeten uitleggen waarom dat onderwerp in hun klas niet altijd zonder weerstand kan worden besproken. Wie niet kan lezen, leert blijkbaar wél hoe hij moet samenleven.

Loonstein zei dat de ernstige problematiek van de Joodse bevolking door de overheid wordt gebagatelliseerd. Dat is de nette versie van wat er werkelijk is gezegd. Iedereen met een social media-account en twee functionerende hersencellen had allang kunnen zien dat antisemitisme een comeback maakt waar menig gecancelde artiest jaloers op zou zijn. Het is weer helemaal terug van nooit echt weggeweest.

Op 16 maart meldt AT5 dat de politie beelden deelt van verdachten van een aanslag op school Cheider. Diezelfde avond reageert iemand op X, goed voor bijna dertigduizend weergaven, dat de woorden aanslag en bom voor een rotje in een regenpijp een choice zijn”. De ernst zit kennelijk niet in de daad maar in de terminologie, alsof je door de taal te verkleinen ook de werkelijkheid kunt terugbrengen tot iets dat er niet meer toe doet.

Dan volgt de reflex die altijd volgt: wie zich zorgen maakt is een moraalridder en wie bescherming vraagt stelt het zwaarder voor dan het is. En er is altijd Gaza, dat ene woord dat fungeert als vrijbrief om alles wat hier gebeurt weg te relativeren totdat er niets meer overblijft dat nog benoemd hoeft te worden, alsof angst bij een school iets is dat je kunt wegstrepen tegen leed elders.

Maar er is dus een school in Amsterdam waar politie en marechaussee permanent voor de deur staan. Niet voor een dag, maar structureel, als onderdeel van het dagelijks leven van kinderen die gewoon naar school willen gaan. Dat is geen maatregel meer, maar een erkenning van een werkelijkheid die zo ver is opgeschoven dat niemand nog weet waar de grens ooit lag, in een gebouw dat eerder de uitstraling heeft van een bunker dan van een school.

De vraag stelt zichzelf. Als dit nodig was bij een islamitische of christelijke school, met politie bij de ingang, met ouders die hun kinderen langs gewapende beveiliging naar binnen brengen, en met een publiek debat dat vervolgens discussieert over de vraag of het woord aanslag misschien wat zwaar is: hoe zou Nederland reageren? Waar collectieve schuld ineens geen probleem lijkt en kritiek moeiteloos wordt weggezet als whataboutism, zolang er maar één woord op tafel ligt dat alles relativeert.

We weten het antwoord, we weten het al jaren. En Rianne Letschert? Die schrok zichtbaar tijdens het gesprek en ging daarna naar huis, waar handen in 2026 nog altijd in onschuld gewassen kunnen worden en sprookjes blijkbaar gewoon blijven bestaan. Het kan wél.

Wegkijken als beleid | bronnen

Media

Negentien

Over een foto, een borgsom en het verhaal dat de kranten niet vertelden

Er staan zes mensen op de foto. Vijf vrouwen in donkergrijze teamshirts en één man in pak. Minister Tony Burke plaatste hem zelf op X. Op de foto staan Zahra Ghanbari, Fatemeh Pasandideh, Zahra Sarbali, Atefeh Ramezanizadeh en Mona Hamoudi: vijf namen, vijf gezichten en één foto.

Wat er niet op staat zijn de negentien andere vrouwen die op datzelfde moment onder politiebegeleiding naar het vliegveld van Gold Coast werden gereden.

Volgens ooggetuigen leek er een te huilen toen ze richting de bus liep. Volgens de keeper van het team, die een briefje schreef aan Iraniërs in Brisbane, waren hun familieleden in Iran al meegenomen en gegijzeld. Dat briefje staat in het AD, in een bijzin. De foto van Burke staat overal.

Het verschil zit niet in de ernst van wat er gebeurde, maar in wat een verhaal bruikbaar maakt voor nieuws. Zeven vrouwen die in Australië blijven vormen een succesverhaal. Negentien vrouwen die terugkeren vormen een tragedie zonder duidelijke dader. Een systeem dat vrouwen vooraf dwingt hun familie als onderpand achter te laten is daarentegen een verhaal waar bijna niemand het begin van wil maken.

Wat er gebeurde

Het Iraanse vrouwenvoetbalelftal speelde de Asia Cup in Australië. Bij de openingswedstrijd tegen Zuid‑Korea zongen een aantal speelsters het volkslied niet mee. In Iran werd dat vrijwel onmiddellijk als hoogverraad bestempeld. Op de staatstelevisie noemde presentator Mohammad Reza Shahbazi hun weigering het toppunt van schaamteloosheid en er werd openlijk aangedrongen op zware straffen.

Bij de volgende twee wedstrijden zongen ze wel mee en brachten een militair saluut. NRC noteerde dit en verbond er geen conclusie aan.

Na uitschakeling door de Filippijnen vroegen speelsters bescherming. Vijf kregen een humanitair visum. Later sloten zich nog twee anderen aan, maar één van hen keerde kort daarna toch terug. Ze had via teamgenoten contact gekregen met de Iraanse ambassade. De locatie van de zes overgebleven vrouwen moest daarop onmiddellijk worden gewijzigd.

De overige negentien vlogen terug via Kuala Lumpur, omdat het Iraanse luchtruim gesloten was door de oorlog.

Dat is het feitelijke verhaal. Alleen begint het echte verhaal eerder, en daar keken de meeste media liever niet naar.

De borgsom

Voor het toernooi moest de volledige spelersgroep een overeenkomst ondertekenen waarin stond dat niemand asiel zou aanvragen. Aan die belofte hingen hoge borgsommen, met familieleden in Iran als onderpand. Wie toch bescherming vroeg, wist precies wat haar thuisblijvende familie riskeerde.

De Volkskrant noemde dit. Het AD ook, met een toelichting van Iran‑analist Damon Golriz van het Haagsch Instituut voor Geopolitiek, die bevestigde dat dit een vaste werkwijze is van het regime bij internationale sportdelegaties. Geen van beide kranten behandelde het als het centrale feit van het verhaal.

Dat valt op, want het maakt de terugkeer van de negentien vrouwen begrijpelijk op een manier die het woord vrije keuze nauwelijks nog dekt. Wie haar kinderen of ouders als onderpand heeft gegeven, maakt geen vrije keuze. Ze voert een berekening uit, een berekening die het regime al voor haar heeft gemaakt voordat de eerste bal is aangeraakt.

Wie wat schreef

Alle media volgden grofweg dezelfde lijn: het verhaal van de zeven speelsters die in Australië bleven werd groot, de negentien die terugkeerden bleven klein. Alleen verschilde de manier waarop.

NRC maakte er een diplomatiek schouwspel van. Trump verscheen als externe drukfactor, Australië stond in de hoofdrol en vijf vrouwen werden gered. De borgsom ontbrak volledig. Dat negentien vrouwen onder begeleiding werden afgevoerd terwijl er één leek te huilen bleef onvermeld. NRC koos een frame en vulde dat frame van begin tot eind.

De Volkskrant schreef het als een teamdrama. De selectie valt uiteen, speelsters maken keuzes onder druk en de menselijke kant krijgt ruimte. De borgsom stond er wel, net als het feit dat aanvoerster Ghanbari eerder was geschorst nadat haar hijab tijdens een wedstrijd was afgegleden. Maar de krant schreef in twee lagen: het nieuws over de achterblijvende speelsters snel en prominent, de structurele context langzamer en lager in het stuk. Een lezer die doorlas wist meer dan een lezer die vluchtig las, en de meeste lezers lezen vluchtig.

Het AD had het scherpste detail, het briefje van de keeper, maar verpakte het als een dilemma. De vraag werd of Australië genoeg had gedaan, alsof het probleem een gebrek aan westerse daadkracht was en niet een Iraans systeem van familiegijzeling.

Trouw plaatste het in historisch perspectief. Sporters die internationale toernooien gebruiken om te ontsnappen aan repressieve regimes vormen een patroon van decennia. Dat perspectief is waardevol, maar in dat grotere verhaal verdwenen de vrouwen uit beeld. Het SOS‑signaal vanuit de bus, dat Trouw als enige noteerde, bleef staan als een losse observatie.

De Telegraaf maakte er een thriller van. Spanning, onzekerheid, onverwachte wendingen en chaos rond het hotel bepaalden de toon. De politieke achtergrond bleef aanwezig maar vooral als decor.

Internationaal

Ook internationaal werd hetzelfde verhaal verteld, maar met andere accenten.

Associated Press was het meest volledig. Zij schreven als enige dat één speelster eerst bescherming vroeg en daarna toch terugkeerde nadat ze via teamgenoten contact had gekregen met de Iraanse ambassade. De zes overgebleven vrouwen moesten onmiddellijk worden verplaatst. Dat detail laat zien hoe het systeem werkt: niet met geweld op het vliegveld, maar via druk binnen het team zelf.

De BBC en CNN kozen een andere ingang. Beide openden hun stukken met Donald Trump. Dat hij een jaar eerder Iraniërs, inclusief LHBT‑personen die gevaar liepen, had laten deporteren via zijn eigen asielstop kreeg aanzienlijk minder aandacht. Het telefoontje van Trump aan de Australische premier Anthony Albanese kreeg juist veel ruimte, waardoor Trump in meerdere verhalen alsnog de rol van redder kreeg toebedeeld.

The Guardian schreef het als een mensenrechtenverhaal. Al Jazeera plaatste het in geopolitieke context. The Times of Israel benadrukte vooral het veiligheidsrisico. In elk van die verhalen bleef het systeem van borgsommen een detail en nooit het beginpunt.

Geen van deze stukken was feitelijk onjuist. Maar net als in de Nederlandse berichtgeving begon het verhaal vrijwel nergens bij het mechanisme dat deze hele situatie mogelijk maakte.

Het patroon

Wie de Nederlandse en internationale berichtgeving naast elkaar legt, ziet een opvallend patroon. Nederlandse kranten schreven over een team dat uiteenvalt, over diplomatie en over een regering die bescherming bood. Internationale media schreven over geopolitiek, over Trump, over activisten en over veiligheid.

Het lijken verschillende verhalen, maar ze beginnen allemaal op dezelfde plek: bij het moment waarop de vrouwen bescherming vroegen, of bij de foto waarop vijf van hen naast een Australische minister staan.

Dat is een logisch begin voor een nieuwsverhaal. Daar gebeurt iets zichtbaars.

Alleen begint het werkelijke verhaal eerder, namelijk op het moment dat een sporter een contract moet tekenen waarin staat dat zij geen asiel zal aanvragen terwijl haar familieleden in Iran achterblijven als garantie. Vanaf dat moment bestaat de keuze tussen blijven en terugkeren in feite niet meer.

Wat de borgsom betekent

Als een regime vrouwen alleen internationaal laat spelen wanneer zij vooraf schriftelijk beloven niet te vluchten, met hun families als onderpand, dan is de vraag niet of zeven speelsters dapper genoeg waren.

De vraag is waarom internationale sportorganisaties dat systeem überhaupt accepteren.

De AFC zweeg. FIFA stuurde een verklaring waarin stond dat de veiligheid van de speelsters prioriteit had. Craig Foster zei dat geen enkele sportfederatie haar atleten als gijzelaars mag behandelen, maar hij sprak als individuele activist en niet namens een instituut dat iets kan afdwingen.

Welke garanties de AFC had gevraagd voordat Iran tot het toernooi werd toegelaten, is in geen enkel stuk gesteld. Dat is een opvallende stilte voor een sportwereld die doorgaans luid spreekt over waarden, fair play en internationale solidariteit.

Blijkbaar geldt dat riedeltje alleen zolang niemand de verkeerde vraag stelt.

Negentien vrouwen

De negentien vrouwen zijn nu ergens in Iran. Hun namen zijn niet gepubliceerd. Wat hun families is overkomen, is niet bekend. Of het regime de borgsommen heeft opgeëist of families zijn vrijgelaten of vastgehouden is nergens zichtbaar onderzocht. Met de huidige oorlog, machtsverschuivingen en de toenemende wetteloosheid in delen van het land is het bovendien bijna onmogelijk om onafhankelijk te verifiëren wat er gebeurt.

Dat is precies hoe het systeem werkt en waar het op vertrouwt. Het bewind in Iran hoeft niets te doen zodra de vrouwen terug zijn. De stilte doet het werk. Zonder namen, zonder berichten en zonder beelden is er geen verhaal. Zonder verhaal ontstaat er ook geen druk.

De borgsom koopt dus niet alleen gehoorzaamheid vooraf. Hij koopt ook de geopolitieke stilte achteraf.

Atefeh Ramezanizadeh, een van de vijf die bleef, schreef op Instagram dat ze treurt om de speelsters die zijn teruggekeerd. Ze schreef dat ze hen mist en dat het een keuze was die niemand had mogen hoeven maken.

Die zin had het verhaal kunnen zijn. In plaats daarvan werd het een citaat in een stuk over Burke en Trump.

De foto

De foto bestaat uit zes mensen en uit wat er niet op staat. Ze lachen. De minister staat in het midden. Vijf vrouwen dragen het shirt van een elftal dat inmiddels over twee continenten verspreid is.

Het is een uitstekende foto voor een succesverhaal. Succesverhalen zijn zelden onwaar, maar ze zijn meestal onvolledig. En die onvolledigheid is nooit echt neutraal: ze laat zien wie we bereid zijn te tellen als winst en wie we laten verdwijnen zodra de persconferentie voorbij is.

De borgsommen waren geen geheim. De gegijzelde familieleden waren geen geheim. Het briefje van de keeper was geen geheim. Ze stonden in de bronnen, in bijzinnen, wachtend tot iemand ze centraal zou stellen.

Dat is niet wat er gebeurde.

Negentien | bronnen

Onderwijs

“Het gaat helemaal niet zo slecht”

En andere geruststellende sprookjes over de staat van het onderwijs

Johannes Visser heeft de cijfers gezien, de rapporten gelezen, de grafieken bestudeerd en komt toch tot die conclusie. Dat is knap. Want wie diezelfde cijfers ziet, diezelfde rapporten leest en diezelfde grafieken bestudeert, kan maar tot één conclusie komen. Het gaat wél zo slecht.

Niet even, niet een beetje, maar structureel en al jaren.

Visser hangt zijn verhaal op aan een negativiteitsbias. Alsof dalende leesvaardigheid, dalende rekenresultaten en groeiende ongelijkheid vooral een kwestie van perspectief zijn. Alsof de Inspectie, de OESO, leraren en leerlingen last hebben van een collectieve somberheid. Alsof feiten zich laten wegpraten met een goed verhaal.

Maar feiten zijn koppig. Ze blijven liggen, hoe vaak je ze ook probeert weg te relativeren.

Iedereen die nog één keer met een serieus gezicht over negativiteitsbias begint, zou verplicht eens een weekje moeten meedraaien.
Niet op een gymnasium met lezende leerlingen en ouders met een Museumkaart, maar op basis en kader in een gemiddelde stad, met volle klassen, hoofden vol problemen en een systeem dat zichzelf heeft uitgehold.

Ik heb drie jaar voor de klas gestaan, als zij-instromer. Drie jaar zag ik hoe een systeem dat ooit bedoeld was om kennis over te dragen veranderde in een welzijnsfabriek, waarin alles leuk en inclusief moet zijn en presteren ondergeschikt is geworden aan reflecteren. De totale desinteresse voor alles wat niet op TikTok of Instagram staat werd ondraaglijk. Klassen met meer diagnoses dan leerlingen, vol rugzakjes en verwijzingen. Ellende achter de voordeur waar scholen zich liever niet aan wagen. Leerlingen die geen zin hebben om zelfs maar een hoofdstuk te lezen, coaches die knuffelen en ouders die je er gratis bij krijgt.

Ouders die geen mail openen, geen post lezen, niet op gesprek komen en de telefoon niet opnemen, om vervolgens woedend te zijn als hun kind zakt.

Ouders die elke dag mailen, ontkennen dat hun kind iets verkeerd doet, indoctrinatie roepen zodra je actualiteit behandelt, huiswerk maken voor hun kind en vervolgens een luisterend oor krijgen.
Want de echte ratrace voor scholen is die om de leerling, niet vóór de leerling.

Dat is geen negativiteitsbias. Dat is dagelijkse praktijk. Tenzij je in je wollige bubbel zit.

Onderwijs als welzijnsproject

En dan de scholen zelf. Vroeger had je een mentoruur, nu heb je coaching. Niet af en toe een gesprek, maar een dagelijks ritueel van aai over de bol, dagopeningen, check ins en check outs, reflectieformulieren, ontwikkelgesprekken en elke twee weken een verplicht coachgesprek waarin vooral niet gesproken mag worden over cijfers, niveau, inzet of discipline, maar over gevoel.

Hoe voel je je. Waar loop je tegenaan. Wat heb je nodig.

Nooit de vraag waarom je niet leest, waarom je geen moeite doet en waarom je niet oefent.

Onderwijs is therapie geworden. Waar de leerling klant is, de ouder koning en de recensies op Google leidend. En therapie? Dat is geen onderwijs.

In die wereld is het logisch dat iemand kan schrijven dat het eigenlijk best meevalt. Dat het vooral framing is. Dat de cijfers stabiel zijn. Dat kinderen ook buiten school leren. Misschien in een omgeving vol hoogopgeleide ouders die hun kinderen meenemen naar musea, elke avond voorlezen en aan tafel het nieuws bespreken. Dan zal het allemaal best meevallen, met een vwo advies en een categorale school op fietsafstand.

Dat is de bubbel.

Daarbinnen is onderwijs een welzijnsproject. Inclusief, veilig en leuk. Niemand mag falen, niemand mag afhaken, niemand mag zich dom voelen. Inspanning is verdacht, discipline is autoritair en kennis elitair.

Buiten die bubbel zitten de cijfers. Een derde van de jongeren kan niet goed genoeg lezen om mee te doen in de samenleving. Vmbo en mbo lopen leeg op taal, leraren vallen om en scholen verzuipen in zorg, administratie en schijnoplossingen.

Dat is geen kwestie van beter meten. Dat is een kwestie van beter wegkijken. En precies daar begint de crisis. Niet bij de media en ook niet bij negativiteitsbias, maar bij het idee dat onderwijs vooral leuk moet zijn zodat iedereen mee kan doen.

Dat idee heeft het onderwijs leeggezogen.

Onderwijs is geen gezelligheid. Onderwijs is geen coaching. Onderwijs is geen Instagramvriendelijke ervaring.

Onderwijs is confrontatie met wat je nog niet kunt. En dat mag schuren, bijten en zeer doen. Je mag er zelfs moeite voor moeten doen, als leerling.

De geruststelling ontmanteld

Wie dat niet wil erkennen, kan rustig blijven schrijven dat het eigenlijk best meevalt.

Een paar uitspraken uit het onderwijssprookje van Visser verdienen het om naast de onderzoeken te worden gelegd.

“Slecht nieuws verkoopt beter. Zelfs aan mensen die zeggen liever goed nieuws te lezen.”

Dit is geen journalistieke scherpte, dit is afleiding. Alsof de Inspectie, de sector, de wetenschap en internationale vergelijkingen alleen bestaan om weg te wuiven zodra het over Nederland gaat. Alsof cijfers een gevoel zijn.

Maar je zakt niet van tweede achter Finland naar een plek boven Griekenland omdat leerlingen zich ineens wat minder vrolijk voelden tijdens een toets. De daling is geen gevoel, de achterstand geen framing en de ongelijkheid geen narratief. Ze zijn meetbaar en ze worden groter.

“Er wordt meer onderzoek gedaan.”

De klassieke geruststelling. We zien meer omdat we beter meten. Maar beter meten verklaart geen achteruitgang. Het verklaart geen internationale daling en niet waarom steeds meer jongeren onder het minimale niveau zakken.

“Het ministerie heeft onrealistische verwachtingen.”

Een handige verschuiving. Niet waarom een groeiende groep de basis niet meer haalt, maar waarom de lat zo hoog ligt. Het probleem is dat basale vaardigheden geen vanzelfsprekendheid meer zijn. Een streefniveau heet plotseling een onhaalbare eis, terwijl het vroeger de norm was.

We vragen ons af of we wel genoeg doen voor het welzijn van de leerling, maar niet of we wel genoeg doen voor hun toekomst.

“Leerlingen doen niet altijd hun best als je ze toetst.”

Dat klinkt mild en het is een handig excuus.
Wat is er eigenlijk mis mee om te verwachten dat leerlingen wél hun best doen.
Dat niet alles leuk hoeft te zijn en dat je soms gewoon iets moet doen, ook als je er geen zin in hebt.

We hebben een omgeving gecreëerd waarin inspanning verdacht is, discipline autoritair en kennis elitair. Dan haken niet alleen leerlingen af, dan raak je een hele generatie en daarmee de samenleving kwijt.

Dat is geen negativiteitsbias.
Dat is beleid.

“Kinderen leren taal en rekenen niet alleen op school, maar de hele dag door.”

Precies. Als ze thuis boeken hebben, ouders die voorlezen en een omgeving waar taal en kennis waarde heeft.
Maar wat als school de enige plek is waar dat kan gebeuren en we die plek hebben omgebouwd tot een ruimte waar inzet een vies woord is en elk gesprek over cijfers wordt vermeden.

In die bubbel wonen Wolfje en Sterre, met een categorale school om de hoek, musea in het weekend en een tafel waar elke avond het nieuws wordt besproken.
Voor hen gaat het misschien inderdaad best goed. Voor de rest verdwijnt het laatste vangnet.

“Schoolkinderen kunnen prima lezen en rekenen.”

Dit is geen optimisme maar ontkenning. Wie dit schrijft terwijl alle alarmbellen afgaan, heeft per ongeluk de cijfers van Finland met Nederland verwisseld.

Alsof we ons druk maken om niets.
En een schop na voor de leraren die aan de bel trekken.
En voor de leerlingen, die wél willen maar nu niet meer kunnen.
En voor de ouders die proberen hun kinderen boven water te houden in een systeem dat hen heeft laten vallen.

En nu?

En precies daar begint de ellende. De crisis is reëel. De oplossingen zijn bekend. Wat ontbreekt, is de wil om te handelen. Hoelang blijven we nog toekijken terwijl een hele generatie achterblijft.

Johannes Visser wil lezers aan het denken zetten over onderwijs. Dat is zijn missie. Hij is correspondent Onderwijs en staat zelf voor de klas. En toch schrijft hij dat het eigenlijk best meevalt. Niet omdat hij het niet ziet, maar omdat hij ervoor kiest om het kleiner te maken dan het is.

En zolang we dat normaal blijven vinden, verdient niemand het om te zeggen dat het “wel meevalt”.

Het gaat helemaal niet zo slecht | b r o n n e n

Opinie

Iran, maar dan graag via Israël

Over selectief activisme en het wegkijken terwijl Iraniërs vechten voor hun vrijheid

Vorig jaar schreef ik over Iran als een land waar vrouwen die uit de pas lopen worden bestraft met verkrachting, zweepslagen en de galg. Dat stuk ging niet over incidenten, maar over een systeem. Over een staat die geweld inzet als bestuursvorm en het lichaam van vrouwen gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen. Geen ontsporing, maar een meedogenloos beleid.

Wat we nu zien, is wat er gebeurt wanneer datzelfde systeem zich niet meer beperkt tot vrouwen, maar iedereen raakt die nog durft te spreken. Niet alleen volwassen mannen, maar ook schoolmeisjes, jongens, oude vrouwen. Iedereen die weigert te zwijgen.

Dit gebeurt nu. In Iran wordt op dit moment geschoten op mensen die de straat op gaan omdat ze hun vrijheid opeisen. Het gaat allang niet meer alleen om de verplichte hijab of de positie van vrouwen. De munt is ingestort, prijzen rijzen de pan uit, lonen zijn niets meer waard. Winkels sluiten uit protest, universiteiten lopen leeg en demonstraties breken uit in tientallen steden.

De reactie van de staat is niet terughoudend en niet aarzelend. Veiligheidstroepen schieten met scherp. De Revolutionaire Garde wordt ingezet. Het internet wordt vrijwel volledig afgesloten. Alleen via Starlink bestaat nog een mogelijkheid om beelden en berichten naar buiten te krijgen. Ja, van Musk. Bespaar me de morele bijsluiters. Zonder die verbinding blijft alles onzichtbaar.

Dat is geen technisch probleem en geen poging tot rust. Het is een bewuste keuze om zicht weg te nemen terwijl het geweld doorgaat. Wie niets ziet, kan later zeggen dat hij het niet wist. Waar hebben we dat eerder gehoord?

De beelden zijn er. Lichamen liggen in lijkzakken in mortuaria en op binnenplaatsen. Families zoeken tussen de zakken naar hun kinderen, hun partners, hun broers. Mensenrechtenorganisaties spreken over honderden doden en meer dan tienduizend arrestaties. Die aantallen liggen waarschijnlijk hoger, juist omdat communicatie is afgesneden en onafhankelijke controle wordt tegengewerkt. Gewonden mijden ziekenhuizen uit angst om daar alsnog te worden opgepakt. Rouw mag alleen onder toezicht.

Dit is geen verlies van controle.
Dit is controle.

De stilte

Accounts, commentatoren en activisten die maandenlang onafgebroken spreken over Gaza, genocide, kolonialisme en historische schuld, laten Iran grotendeels liggen. Niet omdat zij het nieuws missen, maar omdat Iran geen vanzelfsprekende plek krijgt in hun morele reflex. Het past niet in het verhaal dat al klaar ligt. Het schuurt. Het vraagt om een positie die niet vooraf is uitgeschreven.

Er is geen “people of Iran”. Geen collectieve kreet die viraal gaat, geen morele paniek die zichzelf versterkt. Er wordt geen rode lijn getrokken, niemand plakt zich vast of gaat in een station zitten. Dat is gedoe en bovendien is het koud en oncomfortabel om nu op een stenen vloer of trap te zitten.

Er zijn ook geen vlaggen, geen activisten die met hun gezicht half verborgen achter een balaclava iets mompelen over mensenrechten. En laten we eerlijk zijn: de universiteitsgebouwen staan er nog. Niet gesloopt, niet bezet. Voor tentjes, spandoeken en kamperen geldt blijkbaar dat het weer moet meewerken. Verontwaardiging blijkt voorwaarden te hebben – en comfort staat hoog op het lijstje.

Wat er wél verschijnt, zijn andere gesprekken. Draadjes over alledaagse keuzes, persoonlijke ergernissen, het gemak of ongemak van consumptie, reizen en routines. Niets verkeerds op zichzelf, maar veelzeggend in dit moment. Waar dagenlang onvermoeibaar berichten konden worden gedeeld over Gaza, waar elke ontwikkeling werd geduid, versterkt en herhaald, valt het gesprek over Iran stil. Terwijl daar mensen worden neergeschoten, opgepakt en van het internet afgesneden, verschuift hier de aandacht naar het veilige en het herkenbare. Geen standpunt innemen blijkt ook een standpunt.

Dat is geen onschuldige afleiding. Het is een keuze.

Het moment waarop Iran wél verschijnt

Dat verandert pas wanneer het onderwerp Iran koppelingen aan Israël en de VS krijgt. Zodra het regime zelf begint te wijzen naar de Verenigde Staten en Israël als veroorzakers van het geweld, verschijnt Iran ineens wél in posts op sociale media. Als geopolitiek schaakstuk, welteverstaan. Niet als land waar burgers worden neergeschoten, maar als bewijsstuk in een bestaand debat dat al lang draait om iets anders.

Plots gaat het over CIA, Mossad, zionistische lobby’s en buitenlandse inmenging. Demonstranten worden herleid tot marionetten. De naam Pahlavi duikt op als afleiding, niet om Iraniërs te beschermen, maar om het gesprek te verplaatsen. Iran wordt niet verdedigd, maar gebruikt.

Dit is geen interpretatie. Het is timing.

Wat er gezegd wordt terwijl Iraniërs in opstand komen?

“In Nederland heeft de zionistische lobby een comité ‘voor Iran’ opgericht om sympathie te wekken voor de terugkeer van de sjah.”

“Wie nu over Iran praat zonder Israël te noemen, mist de kern.”

“Deze protestgolf gaat niet over mensenrechten, maar over geopolitieke belangen van de VS en Israël.”

“Het is cynisch dat mensen die eerder genocide in Gaza goedpraatten nu ineens huilen over Iran.”

“Demonstranten in Iran zijn marionetten van CIA en Mossad.”

“De media laten alleen gewelddadige beelden zien omdat dat past in hun anti-Iran agenda.”

“Veel Iraniërs steunen het regime, maar dat wordt bewust niet getoond.”

“Hoe een islamitisch land zichzelf bestuurt, is geen westerse zaak.”

Alle citaten zijn afkomstig uit openbare posts op sociale media (10–12 januari 2026). Volledige bronverwijzingen staan onder dit artikel.

Regimes en hun echo in het Westen

De ayatollahs geven hun regime graag een stem uit het Westen, om ook daar publiek te bedienen. Westerse woorden geven legitimiteit aan een verhaal dat intern met geweld wordt afgedwongen.

Een van die echo’s was in 2024 Jan Tervoort. Niet als journalist of deskundige, maar als sociale-mediafiguur die zijn zichtbaarheid vrijwel volledig ontleent aan X. Buiten dat platform heeft hij geen noemenswaardige stem en zelfs daar blijft zijn bereik beperkt. Hij liet zich inzetten om te spreken over Israël en vermeende zionistische netwerken. Niet over repressie in Iran, niet over executies of gevangenissen, maar over alles wat het regime goed uitkwam.

Over mensenrechten in Iran is hij elders helder: “Neuh, ik hou me niet echt bezig met mensenrechten in Iran. Het leven is keuzes maken.”

Dat hij daar toen sprak en nu zwijgt, is geen toeval. Het laat zien welk onderwerp zijn volle aandacht krijgt en welke mensenrechten er niet toe doen.

Iraanse stemmen

Terwijl dit alles gebeurt, spreken Iraniërs zelf. Journalisten en activisten laten zien hoe het internet wordt afgesloten, hoe mensen massaal worden opgepakt en hoe snelle executies dreigen. Ze waarschuwen dat het klakkeloos overnemen van het verhaal van het regime levens kost, omdat het geweld legitimeert en steun van buitenaf ondergraaft.

Die stemmen zijn er. Ze zijn duidelijk en volhardend. Ze vertellen over families die hun doden niet mogen begraven zonder toestemming, over gevangenen die verdwijnen, over jongeren die worden opgepakt omdat ze een video delen of iets roepen op straat. Ze blijven spreken, ook nu alles erop is gericht hen het zwijgen op te leggen.

Maar deze stemmen bereiken vooral mensen buiten de bubbel die zichzelf graag anti-imperialistisch noemt. Het probleem is geen gebrek aan informatie, maar een gebrek aan bereidheid om te luisteren zodra de boodschap niet past in een vertrouwd verhaal.

Wat dit doet

Dit alles is niet neutraal. Wegkijken is een keuze en die keuze heeft gevolgen. Selectief activisme ontneemt Iraniërs internationale steun op het moment dat die het hardst nodig is. Het versterkt het narratief van een regime dat zich als slachtoffer presenteert, terwijl het zijn eigen bevolking neerschiet. Het maakt geweld onzichtbaar door het te verklaren in plaats van het te benoemen.

Iraans verzet wordt zo twee keer uitgewist. Eerst door een staat die schiet, censureert en begraaft. Daarna door activisten die alleen spreken wanneer een crisis past binnen hun vaste morele kader en zwijgen zodra dat kader schuurt.

Iran is geen decor en geen verlengstuk van een ander conflict. Het is geen bijzaak en geen kapstok voor morele zelfprofilering. Het is een land waar nu burgers worden doodgeschoten omdat ze weigeren te verdwijnen.

Wie dat verkleint of verplaatst, maakt een keuze. Niet voor nuance, maar uit gemakzucht. En precies op dat gemak rekent dit regime.

Dit is het moment waarop selectief activisme door de mand valt.

Iran, maar dan graag via Israël | b r o n n e n

Sociale media

Zou u haar doen?

Ik heb niets met de SP. Verre van zelfs. En nee, de toon van Bart Nijman is niet de mijne. Ik lees zijn nieuwsbrief soms, ben het er af en toe mee eens en klik net zo vaak weer weg. Dat is niet het punt. Het punt is wat er gebeurt zodra iemand het waagt om buiten de eigen kring te schrijven.

De aankondiging was onschuldig. Renske Leijten gaat columns schrijven voor de nieuwsbrief van Bart Nijman. Haar eerste bijdrage was geen pamflet of provocatie, maar een eenvoudige introductietekst. Persoonlijk van toon, zoekend en reflecterend. Over identiteit na de politiek, over tijd nemen, over het gevaar van hokjesdenken en tribalisme.

En toen ging de bubbelbühne los.

Niet omdat men haar tekst aandachtig had gelezen. Dat bleek al snel. De reacties gingen niet over wat ze schreef, maar over waar ze het schreef. Over met wie ze in één adem genoemd kon worden. Schuld door associatie, zonder omwegen en zonder rem.

De labels vlogen in het rond. Racisten. Genocideverheerlijkers. Waardeloze stukjesschrijvers. Wandelend hakenkruis. Racistisch schuim der natie. Er werd niet geciteerd, niet geanalyseerd en niet weerlegd. Het oordeel was er al. De inhoud was overbodig.

De hypocrisie zit niet alleen in wat er werd gezegd, maar in wie het zei en hoe het werd gepresenteerd. Met de zin “Zou u haar doen?” suggereerde Lotfi El Hamidi dat dit de vraag was die Bart Nijman zijn abonnees had moeten stellen voordat Renske Leijten mocht schrijven. Een walgelijke uitspraak, de eerste keer ook al. In 2010. Seksistisch, reducerend en onthullend. Alsof seksuele beoordeling de juiste maatstaf is voor toegang tot het debat. Alsof dát de norm is waar men zich druk over zou moeten maken. Het archief fungeert hier als hulpje voor verontwaardiging die inhoudelijk nog niet op eigen benen kan staan.

Wat het extra wrang maakt, is dat dezelfde auteur zich ook graag presenteert als iemand die waarschuwt voor ontmenselijking en het vastpinnen van mensen op labels. In een interview met De Groene Amsterdammer noemt hij de Koran zijn favoriete boek, geroemd om de mystiek en de subtiliteit van taal. Dat staat er allemaal keurig. Wie zich graag beroept op subtiliteit en mystiek, maar uitkomt bij “Zou u haar doen”, laat zien hoe dun dat laagje beschaving soms is.

Wat hier zichtbaar wordt, is de bubbelbühne in volle glorie. Een morele kring waarin instemming wordt beloond en twijfel wordt afgestraft. Het beeld van de deugdende veren die in elkaars derrière verdwijnen is misschien vilein, maar treffend. Zo werkt deze kring. Wie applaudisseert, hoort erbij. Wie om onderbouwing vraagt, wordt verdacht.

Dat beroep op argumenten is ondertussen puur decoratief. Er wordt gezegd dat het om argumenten zou moeten gaan en niet om clicks, terwijl er geen enkel argument volgt. Wie wél vraagt waar beschuldigingen op gebaseerd zijn, krijgt geen antwoord maar een sneer. Of een blokkade. Of allebei.

Opvallend is wie dat doen. Niet alleen anonieme roeptoeters, maar ook mensen zoals Nadia Bouras, universitair docent, die anderen de maat nemen over debatcultuur terwijl zij zelf elke inhoudelijke vraag ontwijken. Het woord argument wordt ingezet als moreel accessoire, terwijl kritiek wordt afgedaan met “zout toch op” of “je gaat je goddelijke gang maar”. En als iemand het niet eens is met die kwalificaties en durft te vragen waar Bouras zich op baseert, volgt een antwoord als: “Steek die vinger maar ergens waar het licht niet schijnt. En ga wat nuttigs doen.” Einde discussie.

Het is een gesloten systeem. Binnen de bubbel wordt het eigen gelijk bevestigd. Daarbuiten volgt geen gesprek, maar een vonnis. Niet lezen, maar labelen. Niet weerleggen, maar uitsluiten. Vrijheid van meningsuiting, zolang het de juiste is.

Ironisch genoeg sluit dit naadloos aan bij wat onderzoek al jaren laat zien. In Why Groups Go to Extremes en later in #Republic beschrijft Cass Sunstein hoe gelijkgestemde groepen, zeker online, niet gematigder maar radicaler worden. Wie vooral mensen hoort die hetzelfde denken, wordt niet kritischer, maar zekerder van het eigen gelijk. Afwijking verdwijnt, nuance verdampt en morele eensgezindheid wordt belangrijker dan denken.

Je ziet het hier gebeuren, in real time.

Oude citaten van meer dan tien jaar geleden worden erbij gehaald om het eigen gelijk te staven. Context doet er niet toe. Tijd niet. Ontwikkeling niet. Een uitspraak uit 2014 wordt een levenslange identiteit, omdat er van recentere datum blijkbaar niets te vinden is. Alsof mensen niet kunnen veranderen, reflecteren of bijstellen. Een merkwaardig mensbeeld voor wie zegt te geloven in groei en bewustwording.

Intussen blijft de oorspronkelijke tekst van Leijten irrelevant verklaard. Niemand citeert haar woorden. Niemand gaat in op haar waarschuwing voor hokjesdenken. Niemand lijkt de ironie te zien dat een tekst over tribalisme wordt beantwoord met tribalisme.

Dit gaat niet over links of rechts. Niet over SP of VVD. Niet over Nijman of Leijten. Dit gaat over uitsluiting. Over bepalen wie nog mag spreken en wie niet. Over morele verontwaardiging als excuus om niet meer te hoeven denken.

Ik hoef het met Nijman niet eens te zijn om te zien hoe dit ontspoort. Ik hoef Leijten niet te steunen om te herkennen wat hier gebeurt. Meningen worden hier niet betwist, maar vervangen door etiketten die de bubbelbühne klaarlegt voor wie zelf stopt met denken.

Vrijheid van meningsuiting is hier een decorstuk. Het mag bestaan zolang het niets verstoort. Wie buiten de lijn spreekt, wordt niet weerlegd maar gemarkeerd. En wie om argumenten vraagt, krijgt geen antwoord maar een sneer of een blokkade.

Dat is geen debat. Dat is een echoput. En hoe harder men erin roept, hoe gelijker het klinkt.

Naschrift

Na publicatie kwam de bubbelbühne in actie. Niet op de inhoud. Er werd gescholden, geprojecteerd en weggezet. Er werd vooral niet gelezen.

En als iets er niet staat, dan verzin je het gewoon. “En dan ook de islam er nog bijhalen”, bijvoorbeeld, om vervolgens “smerig” te kunnen roepen. Uiteraard gevolgd door een blokkade van de verheven meneer. Dat is geen misverstand, maar een oude techniek. Wie eerst iets roept wat er niet staat, hoeft inhoudelijk niet op de tekst te reageren.

Geen enkele reactie kwam met een argument. Wel met woede en moreel theater. Er werd gesteld dat woorden achter elkaar zetten nog geen column is, omdat de aanname was dat de auteur niet zou weten waar “Zou u haar doen” vandaan komt. Dat weet zij wel. Uit 2010.

En precies daar raakt dit stuk zijn kern. Dat El Hamidi in 2026 moet teruggrijpen op een quote uit 2010 om een punt te maken, is op zichzelf al veelzeggend. Niet over Renske Leijten, want inhoudelijk zegt hij niets. Die quote zegt alles over de armoede van zijn kritiek. Wie niets actueels kan aanwijzen, graaft in stoffige archieven en noemt dat duiding.

De ironie is compleet wanneer die morele verontwaardiging gepaard gaat met klachten over stijl. Witheet worden van “warrige stukjes en lelijke zinnen”, terwijl je zelf “ik wordT” schrijft en interpunctie laat verdwijnen, is ook een keuze. Net als woede verwarren met inhoud. Om het in haar eigen woorden te zeggen: woorden achter elkaar zetten is nog geen inhoudelijke reactie. Doe er je voordeel mee.

Wie morele woede nodig heeft om een punt te maken, heeft geen punt meer.

Zou u haar doen? | b r o n n e n

Media

De feeks, de heks en het lek

De val van informateur Hans Wijers begon met één lek en eindigde in een morele storm die groter werd dan menig formatiedossier. Dat alles vanwege één woord in een appje.

Dat woord was “feeks”. Toch leidde het dit keer tot een politieke afstraffing die in jaren zijn weerga niet kende. En terwijl Den Haag struikelde over dit ene bericht, drong zich een ongemakkelijke vergelijking op: Sigrid Kaag werd jarenlang als heks weggezet – compleet met bezem naast de Twin Towers – zonder dat er iemand opstapte of een formatie ontspoorde.

Het verschil tussen heks en feeks zit niet in de ernst van het woord, maar in wie het uitspreekt en wanneer het politiek uitkomt.

Wat er feitelijk gebeurde: twee momenten, één val

De affaire rond Wijers draait om twee momenten.

Moment 1: de verkiezingsavond

NRC schreef dat Hans Wijers Dilan Yesilgöz die avond een “leugenaar” zou hebben genoemd. Maar Eric Smit, die naast hem stond, zei direct dat híj die woorden had uitgesproken. AD en de Volkskrant bevestigden dat. Toch bleef NRC de uitspraak aan Wijers koppelen, zonder opname, citaat of bewijs.

Moment 2: het appje

Toen die eerste lezing begon te wankelen, kwam NRC met een tweede onthulling: een oud appje uit een kleine D66-groep waarin Wijers sprak over “die feeks van de VVD”. De context ontbrak, de timing ook, maar het oordeel lag vast. Binnen 24 uur trad hij af.

Geen schandaal, geen gelekte staatsgeheimen.
Één woord, één appje, één storm.

Wie lekte – en waarom nu?

Het appje ging rond in een kleine D66-groep: Wijers, Eric Smit, Willem Sijthoff en een paar anderen. Het Parool meldde dat Sijthoff zich publiekelijk moest distantiëren van het lek. Sheila Sitalsing schreef dat dezelfde bron achter beide onthullingen zat. Trouw noteerde dat NRC’s tweede scoop precies verscheen op het moment dat de eerste begon te wankelen.

De vraag wie lekte is daardoor eenvoudiger dan de meeste verslaggevers opschreven: het lek kwam uit de D66-kring rond Wijers. En het kwam naar buiten toen het politiek het meest uitkwam. Niet uit integriteit, maar uit timing.

Dit was geen morele zuivering, maar een machtsspel dat werd verpakt als verontwaardiging.

Feitelijke vergelijking: wie schreef wat?

De berichtgeving over Wijers laat zien hoe zes kranten hetzelfde feit totaal anders framen. Niet omdat de feiten verschillen, maar omdat elke redactie vanuit een eigen reflex, belang of bubbel schrijft. Hieronder de vergelijking op basis van alle stukken.

NRC | De aanklager, rechter én verslaggever in één

NRC bracht zowel de eerste als de tweede onthulling en zette zichzelf daarmee midden in het verhaal. De krant sprak in zware termen – “dedain”, “ongepast”, “onhoudbaar” – terwijl het bewijs beperkt bleef tot “meerdere bronnen” die niet werden getoond. Toen Eric Smit verklaarde dat híj de omstreden woorden op verkiezingsavond had uitgesproken, begon NRC’s reconstructie te wankelen. Maar nog voordat die twijfel kon landen, volgde een tweede onthulling: het appje. Dat werd gepresenteerd als een morele knock-out. Zo hield NRC de eerder ingezette lijn overeind.

Opvallend is wat NRC níét deed: geen reflectie op de eigen rol, geen uitleg waarom geen enkel bewijs openbaar werd gemaakt, en geen enkele vergelijking met eerdere, veel hardere aanvallen op vrouwelijke politici. Extra wrang is dat uitgerekend NRC zelf in 2021 een cartoon van Ruben Oppenheimer publiceerde waarin Kaag als heks op een bezem richting de Twin Towers vliegt – op 11 september. Over smaak valt te twisten, maar over dubbele standaarden iets minder. NRC opereerde in deze affaire dan ook minder als waakhond en meer als regisseur.

De Telegraaf | Politieke munitie in chocoladeletters

De Telegraaf nam de NRC-onthullingen gretig over maar gebruikte ze vooral als aanvalswapen tegen D66. In de stukken van Wouter de Winther verdwenen alle nuances: D66 was hypocriet, de VVD slachtoffer en JA21 “terecht gepikeerd”. De krant strooide met woorden als “blunder”, “diskwalificeert zichzelf” en “rommelige start” en haalde Kaags eerdere behandeling als “heks” erbij. Niet om een dubbele standaard bloot te leggen, maar om D66 weg te zetten als inconsequent. De herkomst van het lek kwam geen moment ter sprake.

De Telegraaf biedt politieke positionering, geen zoektocht naar waarheid.

Volkskrant | Tussen nuchtere verslaggeving en scherpe column

De Volkskrant bestond in deze affaire uit twee sporen. De nieuwsredactie nam de NRC-reconstructie vrijwel volledig over. Ze meldde wel dat Eric Smit de omstreden woorden zelf had uitgesproken, maar verbond daar geen conclusie aan – en schreef vooral over vertraging in de formatie en “slecht gesternte” zonder de rol van de lekken echt te analyseren.

Heel anders was de toon in de column van Sheila Sitalsing. Zij was de enige die het koor doorbrak. Ze schreef dat de eerste onthulling waarschijnlijk was gebaseerd op fout bronmateriaal, noemde de tweede scoop een rookgordijn uit dezelfde hoek en typeerde het geheel als “kluitjesvoetbal” tussen politiek en journalistiek.

AD | De dramaturgische reconstructie

AD koos voor de vorm van een kroniek: reconstructies op de minuut, een woordenbrij (“dramatische persconferentie”, “lelijk appje”, “twintig uur informateur”) en een stoet aan citaten van politici die op elkaar reageren. De correctie van Eric Smit wordt wel genoemd maar niet echt verwerkt, waardoor AD dezelfde bocht neemt als veel andere kranten: als NRC het zegt, zal het wel kloppen.

Trouw | Klinisch, maar daardoor bijna blind

Trouw houdt afstand van de emotie: feitelijk, voorzichtig en zonder grote woorden. De krant noteerde als enige dat NRC’s tweede onthulling precies verscheen toen de eerste begon te wankelen. Maar daar bleef het bij. Er volgde geen vraag naar motieven, geen analyse en geen context. De observatie stond er, kaal en onaf, alsof het niet méér betekende dan een toevallige timing.

Trouw is daarmee neutraal op een manier die soms lijkt op wegkijken.

Het Parool | Menselijk, verhalend, maar toch volgend

Het Parool is het meest nabij in toon. De krant laat politici spreken, benoemt voorzichtig de twijfel (“waren het wel zijn woorden?”) en beschrijft hoe Yesilgöz via-via hoorde dat ze “feeks” was genoemd. Ook Parool leunt op de NRC-reconstructie. De vraag naar de herkomst van het lek wordt wel gesteld maar niet doorgetrokken, waardoor de krant het verhaal volgt zoals het wordt aangereikt. Het resultaat is een middenpositie tussen AD’s verhalende stijl en de aarzelende twijfels bij de Volkskrant, maar zonder de kernvraag te stellen: wie stuurt dit?

De gemiste vragen (en waarom dat telt):

Alle kranten, behalve één column, laten drie belangrijke vragen liggen:

Waarom leidt een privé-appje tot een politieke val, terwijl vier jaar openlijke heks-retoriek richting Kaag nooit als breekpunt werd gezien?

Waarom wordt de rol van NRC niet onderzocht, terwijl dezelfde krant zowel de onthullingen brengt als het morele oordeel velt?

En waarom vraagt niemand wie het appje heeft gedeeld, terwijl juist dat lek de politieke uitkomst bepaalde?

Dat die vragen niet worden gesteld zegt veel: redacties volgen elkaar en bedienen vooral hun eigen bubbel. Daarbij vergeten ze de rol die ze eigenlijk horen te vervullen: die van vierde macht, de poortwachter van de democratie.

Kaag, heks en de verdwenen norm

Zet dit naast de behandeling van Sigrid Kaag en het contrast springt in het oog. Jarenlang werd zij openlijk als heks weggezet: Wilders die haar zo noemde op X, een cartoon waarin ze op een bezem langs de Twin Towers vliegt, en herhaalde posts waarin hij haar afschilderde als “de vrouw die ons land afbreekt”. Het was geen grap of losse oprisping, maar een publiek vijandbeeld dat uiteindelijk leidde tot beveiliging.

Toch had die retoriek geen enkele politieke consequentie. Geen informateur viel, geen formatie ontspoorde, geen partijleider stelde dat samenwerken met iemand die een minister “heks” noemt onmogelijk was. De heks-retoriek werd behandeld als folklore, als iets waar je als politicus maar tegen moet kunnen.

Daartegenover staat de affaire-Wijers: één woord in een besloten appgroep leidde tot een politieke executie. Niet omdat “feeks” ernstiger is dan “heks”, maar omdat het woord op het juiste moment bruikbaar werd gemaakt.

Het draait dus niet om het woord zelf, maar om de timing en het doelwit.

De (on)geloofwaardigheid van Yesilgöz

De verontwaardiging over het woord “feeks” klinkt harder wanneer het doelwit zelf als vlekkeloos wordt neergezet. Maar dat beeld klopt niet. Yesilgöz lag als minister van Justitie juist onder vuur vanwege aantoonbaar onjuiste uitspraken over het dossier nareis-op-nareis.

In talkshows, interviews en Kamerdebatten beweerde ze dat het om “duizenden mensen” ging en dat dit de asielinstroom fors vergrootte. De officiële analyse van de IND laat echter iets heel anders zien: over vijf jaar tijd ging het om 880 aanvragen waarvan er 350 zijn ingewilligd – goed voor ongeveer één procent van alle nareiszaken. Het ging dus om tientallen per jaar.

Toch bleef Yesilgöz deze hogere aantallen herhalen. In de Volkskrant zei ze zelfs: “Het gaat over duizenden mensen – hoeveel exact weten we niet.” In het Kamerdebat erover spraken partijen van “fabels”, “misleiding” en “belazeren van Nederland”. Volt en SP dienden een motie van wantrouwen in. Zelfs CDA en NSC erkenden dat haar informatie niet klopte.

Feit blijft: Yesilgöz verspreidde aantoonbaar onjuiste cijfers over een belangrijk dossier, met directe gevolgen voor het debat en de beeldvorming. En toch had dat geen politieke consequenties. Geen crisis, geen formatiestop, geen morele verontwaardiging die dagenlang het nieuws beheerste.

Dat contrasteert scherp met de affaire-Wijers. Een privéwoord leidde tot een politieke executie. Bewezen onwaarheden in een beleidsdossier leidden tot … niets. Wat “onverantwoord gedrag” is, blijkt dus minder af te hangen van de feiten dan van wie het zegt en wanneer het uitkomt.

Waarom dit verhaal stinkt

Het stinkt omdat dezelfde woorden anders worden gewogen afhankelijk van wie ze uitspreekt. De morele maat verschuift met de politieke wind: wat gisteren folklore was, is vandaag een doodzonde. Een privéwoord als “feeks” werd fataal voor een informateur, terwijl “heks” – jarenlang herhaald, publiek en gericht op één persoon – nooit tot politieke gevolgen leidde.

Het stinkt ook omdat het lek uit de eigen D66-kring kwam, maar niemand die vraag wil stellen. Omdat NRC eerst een wankel frame bouwde en dat frame repareerde met een tweede lek zodra de eerste versie begon te wankelen. De krant die onthult, velde ook het morele oordeel – zonder bewijs – en werd zo speler in plaats van scheidsrechter. Andere media volgden braaf, alsof één bron voldoende is om het hele politieke speelveld te bepalen.

Ondertussen bleven aantoonbaar onjuiste cijfers van Yesilgöz zonder gevolgen, terwijl Kaag vier jaar lang kon worden gedehumaniseerd zonder dat iemand een grens trok. Niemand benoemde het motief van het lek, terwijl juist dat lek de uitkomst bepaalde. En de enige vraag die ertoe doet – wie profiteert hiervan? – werd zorgvuldig ontweken.

Wie goed kijkt, ziet geen incident maar een patroon. Een systeem waarin verontwaardiging selectief wordt aangezet, media machtsfactor worden en politieke schade strategisch wordt uitgedeeld.

De affaire-Wijers bewijst één ding: in Den Haag geldt niet wat je zegt, maar wie er belang bij heeft dat je het níet meer kunt zeggen. “Feeks” was geen grens, het was een kans. En de poortwachters van de democratie? Die stonden erbij, keken ernaar en holden daarna enthousiast achter het lek aan als een dronken vriendenteam dat denkt dat het kampioen is. De bubbelbühne tot op het bot ontmaskerd.

Benieuwd waar al die frames, feiten en fabels vandaan kwamen? Klik hier voor de bronnen.

Naschrift

Kort na publicatie van dit artikel stuurde NRC een nieuwsbrief rond waarin de krant toelichtte waarom de berichtgeving over Hans Wijers volgens haar journalistiek gerechtvaardigd was. Die toelichting roept echter meer vragen op dan ze beantwoordt.

NRC schrijft dat “veertien bronnen” bevestigden dat Wijers op verkiezingsavond bepaalde woorden zou hebben gebruikt, maar laat volledig in het midden wie die bronnen zijn, wat zij precies hebben gehoord en of het directe of indirecte getuigen waren. Dat Eric Smit – die letterlijk naast Wijers stond en verklaarde dat híj het woord had uitgesproken – wordt weggezet als iemand die zich “anders herinnert”, maakt vooral duidelijk hoe onduidelijk de kwaliteit van die veertien bronnen is.

De krant stelt ook dat het appje “geverifieerd” was. Wat dat verificatieproces precies inhield blijft onbekend: geen datum, geen context, geen bron, geen technische bevestiging. De lezer moet genoegen nemen met het etiket, niet met het bewijs.

Opmerkelijk is bovendien dat NRC zelf bevestigt dat vragen over het appje aan Wijers werden gesteld op het moment dat hun eerdere reconstructie begon te wankelen. Dat het appje juist dán opdook, in een zeer kleine D66-kring, zegt vooral iets over timing en over hoe lekken en publicaties elkaar kunnen versterken.

Deze nieuwsbrief beantwoordde dus niet de centrale vraag die boven dit dossier blijft hangen: wie bepaalt in Nederland wanneer iets een schandaal is? En minstens zo belangrijk: waarom precies op dat moment?