Politiek

Wegkijken als beleid

Er zijn helaas veel problemen in de wereld. We zouden elke week een verklaring kunnen afgeven.

Aldus Rianne Letschert, in reactie op oproepen om een statement te maken over Iran en de samenwerking met een Iraanse universiteit.

Begin maart loopt Letschert in toga langs pro-Palestijnse demonstranten bij de viering van vijftig jaar Universiteit Maastricht. Ze is dan nog rector van die universiteit, lid van de Taskforce Antisemitismebestrijding en bruggenbouwer van naam. Een paar maanden later wordt ze informateur en wordt ze in de Taskforce vervangen.

In februari 2026 publiceert die Taskforce het rapport Gevangen in Vrijheden, dat concludeert dat onderwijsinstellingen meer moeten doen om de sociale veiligheid van Joodse studenten te verbeteren.

Op 16 maart zit Letschert als onderwijsminister aan tafel wanneer de bestuurder van de Joodse school Cheider in Amsterdam, na een aanslag op die school, premier Jetten laat weten diep teleurgesteld te zijn over het uitblijven van maatregelen.  Ook nu blijven concrete toezeggingen uit.

Vier functies, één naam en telkens hetzelfde resultaat, of beter: het uitblijven daarvan precies op de momenten waarop het ertoe doet.

Dat is niet gewoon pech. Dat is beleid.

Wat er in Maastricht gebeurde onder haar rectoraat leest als een stappenplan voor hoe je een probleem laat groeien zonder er ooit op te worden afgerekend, en er vervolgens carrière mee maakt.

De Syrische activiste Rawan Osman kon haar lezing niet afmaken omdat de sfeer zo dreigend was dat de politie moest ingrijpen. Een bijeenkomst met een Joodse spreker werd geweigerd omdat het bestuur ‘terughoudend’ zou zijn met externe sprekers, terwijl er wekelijks meerdere pro-Palestijnse activiteiten gewoon doorgang vonden en de actiegroep die daarvoor verantwoordelijk was een eigen kantoor op de campus kreeg.

Wat terughoudendheid precies betekent, lijkt niemand te weten.

De banden met Israëlische universiteiten werden bevroren en breed uitgemeten, terwijl de samenwerking met een Iraanse universiteit waar de Basij actief is gewoon doorliep, tot die stilzwijgend werd beëindigd.

De voorzitter van de Limburgse hoofdsynagoge schreef haar destijds, naar aanleiding van het interne onderzoek van de universiteit, dat het er niet op gericht leek om de waarheid boven tafel te krijgen, maar om de bestuurders vrij te pleiten. Haar reactie beperkte zich tot de constatering dat de lezing niet goed was voorbereid en begeleid, terwijl ze over de antisemitische uitingen zelf zweeg. Joodse studenten vroegen om concrete maatregelen en kregen geknik terug en een hand die werd vastgehouden, als vervanging voor beleid.

Dat was het.

Terwijl ze dit liet liggen, schreef Letschert intussen mee aan een rapport dat stelt dat instellingen hun best moeten doen om Joodse studenten meer veiligheid te bieden. Toen dat rapport verscheen, zat ze als minister aan tafel bij een gesprek waaruit opnieuw geen enkele toezegging voortkwam. De cirkel is rond, alleen niet voor de Joodse scholieren om wie het zou moeten gaan.

Aan diezelfde tafel zat op 16 maart ook bestuurder Herman Loonstein van school Cheider. Hij was daar niet om zijn emoties te uiten, maar om te horen wat de overheid doet om Joodse scholieren te beschermen. Dat hoorde hij niet. Wat hij wel hoorde, was dat antisemitisme vaker moet leiden tot aangifte en vervolging, en dat premier Jetten alles op alles wil zetten om via educatie mensen te laten inzien dat dit gewoon niet kan.

Via educatie.

Dit is hetzelfde onderwijssysteem waarin een derde van de jongeren niet goed genoeg kan lezen om mee te doen in de samenleving, waarin scholen al jaren worden omgebouwd tot plekken waar alles bespreekbaar is behalve het gebrek aan kennis. Datzelfde systeem gaat antisemitisme oplossen met een les en wat vrijgemaakt geld voor Holocausteducatie, wellicht gegeven door geschiedenisdocenten die eerst moeten uitleggen waarom dat onderwerp in hun klas niet altijd zonder weerstand kan worden besproken. Wie niet kan lezen, leert blijkbaar wél hoe hij moet samenleven.

Loonstein zei dat de ernstige problematiek van de Joodse bevolking door de overheid wordt gebagatelliseerd. Dat is de nette versie van wat er werkelijk is gezegd. Iedereen met een social media-account en twee functionerende hersencellen had allang kunnen zien dat antisemitisme een comeback maakt waar menig gecancelde artiest jaloers op zou zijn. Het is weer helemaal terug van nooit echt weggeweest.

Op 16 maart meldt AT5 dat de politie beelden deelt van verdachten van een aanslag op school Cheider. Diezelfde avond reageert iemand op X, goed voor bijna dertigduizend weergaven, dat de woorden aanslag en bom voor een rotje in een regenpijp een choice zijn”. De ernst zit kennelijk niet in de daad maar in de terminologie, alsof je door de taal te verkleinen ook de werkelijkheid kunt terugbrengen tot iets dat er niet meer toe doet.

Dan volgt de reflex die altijd volgt: wie zich zorgen maakt is een moraalridder en wie bescherming vraagt stelt het zwaarder voor dan het is. En er is altijd Gaza, dat ene woord dat fungeert als vrijbrief om alles wat hier gebeurt weg te relativeren totdat er niets meer overblijft dat nog benoemd hoeft te worden, alsof angst bij een school iets is dat je kunt wegstrepen tegen leed elders.

Maar er is dus een school in Amsterdam waar politie en marechaussee permanent voor de deur staan. Niet voor een dag, maar structureel, als onderdeel van het dagelijks leven van kinderen die gewoon naar school willen gaan. Dat is geen maatregel meer, maar een erkenning van een werkelijkheid die zo ver is opgeschoven dat niemand nog weet waar de grens ooit lag, in een gebouw dat eerder de uitstraling heeft van een bunker dan van een school.

De vraag stelt zichzelf. Als dit nodig was bij een islamitische of christelijke school, met politie bij de ingang, met ouders die hun kinderen langs gewapende beveiliging naar binnen brengen, en met een publiek debat dat vervolgens discussieert over de vraag of het woord aanslag misschien wat zwaar is: hoe zou Nederland reageren? Waar collectieve schuld ineens geen probleem lijkt en kritiek moeiteloos wordt weggezet als whataboutism, zolang er maar één woord op tafel ligt dat alles relativeert.

We weten het antwoord, we weten het al jaren. En Rianne Letschert? Die schrok zichtbaar tijdens het gesprek en ging daarna naar huis, waar handen in 2026 nog altijd in onschuld gewassen kunnen worden en sprookjes blijkbaar gewoon blijven bestaan. Het kan wél.

Wegkijken als beleid | bronnen

Samenleving

De steen van het volk

In Dordrecht filmt Pieter Rambags, op TikTok bekend als @Pete_Guitar, zichzelf bij de Stolpersteine in de stad. Kleine messing steentjes in de stoep, met een naam, een geboortedatum en een plaats. Ooit, zegt hij, vond hij dit een sympathiek gebaar om de Jodenvervolging te herdenken. Nu niet meer. Nu hebben deze stenen voor hem “een nare nasmaak”.

Want, zo vervolgt hij, elke keer dat hij ze ziet realiseert hij zich dat “een slachtoffer zelf tot dader kan worden”. En dan valt de zin die alles verschuift: “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Die zin doet iets wat de steen zelf niet doet. De steen noemt een naam, de zin noemt een volk.

Ik maakte jaren geleden een foto van vier Stolpersteine in Amsterdam, op de hoek van de Willemsparkweg en de Alexander Boersstraat, in het Museumkwartier. Querido, stond er vier keer. Jacob. Klara. Rebecca. Duifje. Jacob, de naamgenoot van mijn opa, vermoord in 1943. De drie anderen, ondergedoken op verschillende locaties, met overleefd op het steentje.

Ik groeide om de hoek op, in de Jacob Obrechtstraat. Als klein meisje in de jaren ’70 woonde ik bij mijn opa en oma. Die straten waren toen gewoon straten, waar je buiten speelde met je fiets – die niet op slot moest als je met het touwtje uit de brievenbus even naar binnen ging. Melkboer op de hoek, de tram die rinkelde, brede trottoirs waar je speelde met krijt zonder klagende buren. Pas veel later begreep ik hoeveel namen er ontbraken.

In 2023 liep ik opnieuw door deze buurt, dit keer met mijn jongste zoon. We liepen langs de Obrechtsjoel, langs de Obrechtkerk waar mijn opa schuin tegenover zijn bloemenkraam had. We lunchten bij Van Dam en gniffelden om wat we thuis in Noordwijk stiekem hockeyloedermoeders noemden, import met een bakfiets. Ik vertelde over mijn vriendje aan de overkant dat op schermen zat, over verkleedpartijen in witte pakken en maskers, over spelen in het Vondelpark en het Rembrandtpark en verplichte danslessen bij Dansschool Oostveen aan de Overtoom.

Onderweg naar de oude Jodenbuurt kwamen we de Stolpersteine van de familie Querido tegen, en nog meer kleine steentjes op andere plekken in de stad. Ik vertelde over onderduiken, over Auschwitz en mijn familie, over hoe mensen soms uit hun eigen straat verdwijnen en alleen nog een naam achterlaten. En soms, zoals bij mijn andere oma, zelfs hun naam in hun land van herkomst moeten achterlaten om te kunnen vluchten.

We stopten bij de steentjes en lazen wat er stond. Hij was negentien, ik hoefde niets uit te leggen. De woorden spraken voor zich, een drama op een steentje van tien bij tien centimeter.

Later die middag zochten we de namen opnieuw op bij het Nationaal Holocaust Namenmonument, naast het Joods Museum. Rijen bakstenen, duizenden namen. Querido verscheen opnieuw, meerdere keren. Met leeftijden erachter. 80 jaar. 13 jaar. 17 jaar.

Misschien is dat de kern van wat herdenken probeert te doen. Niet het leed op grote schaal vangen, maar een naam blijven uitspreken.

Misschien is dat ook waarom die video uit Dordrecht zo schuurt. Omdat hij precies het omgekeerde doet.

Waar de steen een naam noemt, noemt de man een volk. Waar het steentje niets anders doet dan registreren wie ergens woonde, maakt Rambags van diezelfde geschiedenis een morele categorie.

Elke keer als ik deze stenen zie, kijk ik weg. Want zij vertegenwoordigen voor mij het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien. Namelijk een volk dat is verworden tot een genocidale soort.

Hij heeft het niet over een kabinet. Niet over een premier. Niet over een militaire operatie of een juridische kwalificatie. Hij heeft het over “een volk dat is verworden tot een genocidale soort”.

Dat woord, soort, blijft hangen. Het is geen politieke of juridische term. Het is een woord dat over mensen gaat.

Dat is iets anders dan terechte kritiek op beleid of oorlog.

Wie het handelen van een staat vertaalt naar de aard van een volk, maakt van afkomst een verwijt. Dan verdwijnen namen. Dan blijft er geen Jacob of Klara of Duifje meer over, maar een groep mensen die moet opdraaien voor wat een regering doet, in een land waar ze nooit zijn geweest.

Het is een verleiding van deze tijd. Sociale media met snelle meningen, conflicten die groot, groter, grootst moeten zijn om te scoren. Honderdduizenden worden in één adem miljoenen. Dan volgen de woorden als genocide, apartheid, zuivering. Uitgesproken met een gemak alsof het bijvoeglijke naamwoorden zijn. Zware woorden, ingezet als morele knuppels.

Maar wat er in Dordrecht gebeurt, is geen juridisch debat. Het is een generalisatie waarin een volk als volk wordt veroordeeld. Dat heeft een naam: antisemitisme.

In dezelfde adem waarin wordt verwezen naar de Holocaust, wordt die ook gerelativeerd, alsof leed met elkaar moet concurreren. In het filmpje zegt hij dat de struikelsteentjes voor hem “het grootste kwaad dat we in de wereld nu zien” vertegenwoordigen. Niet het nazisme, de vernietigingskampen, de onmenselijke wreedheden. Maar een volk dat volgens hem is “verworden tot een genocidale soort”. Vervolgens volgen de aantallen. Honderdduizenden. Miljoenen. En dan die zin: “En daarmee verschaalt hun Holocaust.”

De herinnering aan de Holocaust wordt ingezet om het verleden te herschrijven, zodat het heden kan worden veroordeeld. In dat herschikken wordt de Holocaust een argument in plaats van een geschiedenis. Dat is niet herdenken, dat is misbruiken.

Herdenken, écht herdenken, werkt anders. Het zoekt geen ranglijst van ellende. Het begint klein. Bij een naam die wordt uitgesproken, niet bij een morele wedstrijd.

Op het Jonas Daniël Meijerplein wordt ieder jaar de Februaristaking herdacht. Een concrete daad van verzet tegen razzia’s in eigen straten, tegen buren die werden weggevoerd. Georganiseerd door de toen illegale CPN, het enige massale en openlijke protest in bezet Amsterdam tegen de Jodenvervolging.

Twee dagen lag de stad stil. Trams reden niet, fabrieken draaiden niet, werk werd neergelegd omdat mensen weigerden te doen alsof er niets gebeurde. Daarna werd de staking door de Duitsers met geweld gebroken. Er vielen doden, er volgden arrestaties, mensen raakten hun baan kwijt en kwamen in armoede terecht. En terwijl de bezetter de orde herstelde, werd ook vanuit het Amsterdamse gemeentebestuur aangedrongen op hervatting van het werk. De stad moest weer functioneren. Het werk ging voor.

Dit jaar waren er tijdens de herdenking ook andere symbolen zichtbaar. Een vlag van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, een organisatie die op de EU-terreurlijst staat. Spandoeken tegen de bezetting, geknielde demonstranten met blinddoeken, soms onder het toeziend oog of toegejuicht door docenten die meer tijd en energie in actievoeren stoppen dan in hun collegereeksen.

Dat spanningsveld beperkt zich niet tot het plein zelf. In het debat rond de Gaza-demonstraties wordt inmiddels ook gekeken naar de netwerken achter de mobilisatie. Zo wees Carel Brendel recent op de rol van onder meer PGNL en AGD als terugkerende organisatoren van straatprotesten en verbond hij die aan bredere pro-Hamas-structuren in Europa. Die analyse kan worden betwist of onderschreven, maar zij laat zien hoe snel herdenken, demonstreren en geopolitieke netwerken in één frame terechtkomen.

Herdenkingen gaan met de tijd mee. Ze worden telkens opnieuw geïnterpreteerd en het is niet vreemd dat het heden zich mengt met het verleden. Dat gebeurde altijd al. Maar er is een verschil tussen meegaan met de tijd en het kapen van herdenken voor een eigen agenda.

Wanneer tijdens een herdenking van Jodenvervolging een volk als genocidaal wordt bestempeld, verandert er iets wezenlijks. Dan wordt herinnering geen waarschuwing meer, maar munitie.

De stap van staat naar volk is klein in taal, maar groot in betekenis. Populisten weten dat al jaren, activisten nu ook.

Israël is een staat. Met verkiezingen, interne verdeeldheid, demonstraties, rechters, dienstplichtigen die niet of juist heel graag willen dienen, en burgers die het oneens zijn met hun regering of er juist vol overtuiging achter staan. Joden vormen een volk, verspreid over landen, met uiteenlopende overtuigingen, religieuze en seculiere tradities, politieke posities die elkaar soms fel bestrijden.

Wanneer het handelen van de één wordt vertaald naar de schuld van de ander, ontstaat er een glijdende schaal. Niet luid, niet met hakenkruizen, maar met zinnen en en filmpjes van mensen die zichzelf rechtvaardig noemen.

Het antisemitisme van deze tijd komt zelden met openlijke haat. Het verschijnt als morele omkering of wordt verscholen achter de term zionisme. Niet de Jood als minderwaardig, maar de Jood als moreel tekortschietend. Niet het individu, maar het collectief.

Het zegt: kijk, zij doen nu wat zij ooit hebben ondergaan.

Terug naar die middag in Amsterdam. Naar de stenen, museum en het monument. Naar Querido, meerdere keren, met leeftijden erachter. Er is een oud Joods gezegde: je bent pas dood als je naam niet meer genoemd wordt.

Misschien is dat wat er op het spel staat wanneer namen weer volk worden en volk weer soort. Dat we ophouden met het noemen van namen en het zien van mensen en beginnen met het plakken van een label.

De steen verandert niet als iemand hem filmt en een volk veroordeelt. De baksteen in het Namenmonument blijft dezelfde naam dragen, ongeacht welke vlag er op een plein wappert.

Maar taal verandert wel.

En taal is zelden onschuldig wanneer zij van een naam een collectieve schuld maakt. En precies in die verschuiving vindt antisemitisme telkens een nieuwe vorm.

De steen van het volk | bronnen

Video geplaatst door Pieter Rambags