Media

De feeks, de heks en het lek

De val van informateur Hans Wijers begon met één lek en eindigde in een morele storm die groter werd dan menig formatiedossier. Dat alles vanwege één woord in een appje.

Dat woord was “feeks”. Toch leidde het dit keer tot een politieke afstraffing die in jaren zijn weerga niet kende. En terwijl Den Haag struikelde over dit ene bericht, drong zich een ongemakkelijke vergelijking op: Sigrid Kaag werd jarenlang als heks weggezet – compleet met bezem naast de Twin Towers – zonder dat er iemand opstapte of een formatie ontspoorde.

Het verschil tussen heks en feeks zit niet in de ernst van het woord, maar in wie het uitspreekt en wanneer het politiek uitkomt.

Wat er feitelijk gebeurde: twee momenten, één val

De affaire rond Wijers draait om twee momenten.

Moment 1: de verkiezingsavond

NRC schreef dat Hans Wijers Dilan Yesilgöz die avond een “leugenaar” zou hebben genoemd. Maar Eric Smit, die naast hem stond, zei direct dat híj die woorden had uitgesproken. AD en de Volkskrant bevestigden dat. Toch bleef NRC de uitspraak aan Wijers koppelen, zonder opname, citaat of bewijs.

Moment 2: het appje

Toen die eerste lezing begon te wankelen, kwam NRC met een tweede onthulling: een oud appje uit een kleine D66-groep waarin Wijers sprak over “die feeks van de VVD”. De context ontbrak, de timing ook, maar het oordeel lag vast. Binnen 24 uur trad hij af.

Geen schandaal, geen gelekte staatsgeheimen.
Één woord, één appje, één storm.

Wie lekte – en waarom nu?

Het appje ging rond in een kleine D66-groep: Wijers, Eric Smit, Willem Sijthoff en een paar anderen. Het Parool meldde dat Sijthoff zich publiekelijk moest distantiëren van het lek. Sheila Sitalsing schreef dat dezelfde bron achter beide onthullingen zat. Trouw noteerde dat NRC’s tweede scoop precies verscheen op het moment dat de eerste begon te wankelen.

De vraag wie lekte is daardoor eenvoudiger dan de meeste verslaggevers opschreven: het lek kwam uit de D66-kring rond Wijers. En het kwam naar buiten toen het politiek het meest uitkwam. Niet uit integriteit, maar uit timing.

Dit was geen morele zuivering, maar een machtsspel dat werd verpakt als verontwaardiging.

Feitelijke vergelijking: wie schreef wat?

De berichtgeving over Wijers laat zien hoe zes kranten hetzelfde feit totaal anders framen. Niet omdat de feiten verschillen, maar omdat elke redactie vanuit een eigen reflex, belang of bubbel schrijft. Hieronder de vergelijking op basis van alle stukken.

NRC | De aanklager, rechter én verslaggever in één

NRC bracht zowel de eerste als de tweede onthulling en zette zichzelf daarmee midden in het verhaal. De krant sprak in zware termen – “dedain”, “ongepast”, “onhoudbaar” – terwijl het bewijs beperkt bleef tot “meerdere bronnen” die niet werden getoond. Toen Eric Smit verklaarde dat híj de omstreden woorden op verkiezingsavond had uitgesproken, begon NRC’s reconstructie te wankelen. Maar nog voordat die twijfel kon landen, volgde een tweede onthulling: het appje. Dat werd gepresenteerd als een morele knock-out. Zo hield NRC de eerder ingezette lijn overeind.

Opvallend is wat NRC níét deed: geen reflectie op de eigen rol, geen uitleg waarom geen enkel bewijs openbaar werd gemaakt, en geen enkele vergelijking met eerdere, veel hardere aanvallen op vrouwelijke politici. Extra wrang is dat uitgerekend NRC zelf in 2021 een cartoon van Ruben Oppenheimer publiceerde waarin Kaag als heks op een bezem richting de Twin Towers vliegt – op 11 september. Over smaak valt te twisten, maar over dubbele standaarden iets minder. NRC opereerde in deze affaire dan ook minder als waakhond en meer als regisseur.

De Telegraaf | Politieke munitie in chocoladeletters

De Telegraaf nam de NRC-onthullingen gretig over maar gebruikte ze vooral als aanvalswapen tegen D66. In de stukken van Wouter de Winther verdwenen alle nuances: D66 was hypocriet, de VVD slachtoffer en JA21 “terecht gepikeerd”. De krant strooide met woorden als “blunder”, “diskwalificeert zichzelf” en “rommelige start” en haalde Kaags eerdere behandeling als “heks” erbij. Niet om een dubbele standaard bloot te leggen, maar om D66 weg te zetten als inconsequent. De herkomst van het lek kwam geen moment ter sprake.

De Telegraaf biedt politieke positionering, geen zoektocht naar waarheid.

Volkskrant | Tussen nuchtere verslaggeving en scherpe column

De Volkskrant bestond in deze affaire uit twee sporen. De nieuwsredactie nam de NRC-reconstructie vrijwel volledig over. Ze meldde wel dat Eric Smit de omstreden woorden zelf had uitgesproken, maar verbond daar geen conclusie aan – en schreef vooral over vertraging in de formatie en “slecht gesternte” zonder de rol van de lekken echt te analyseren.

Heel anders was de toon in de column van Sheila Sitalsing. Zij was de enige die het koor doorbrak. Ze schreef dat de eerste onthulling waarschijnlijk was gebaseerd op fout bronmateriaal, noemde de tweede scoop een rookgordijn uit dezelfde hoek en typeerde het geheel als “kluitjesvoetbal” tussen politiek en journalistiek.

AD | De dramaturgische reconstructie

AD koos voor de vorm van een kroniek: reconstructies op de minuut, een woordenbrij (“dramatische persconferentie”, “lelijk appje”, “twintig uur informateur”) en een stoet aan citaten van politici die op elkaar reageren. De correctie van Eric Smit wordt wel genoemd maar niet echt verwerkt, waardoor AD dezelfde bocht neemt als veel andere kranten: als NRC het zegt, zal het wel kloppen.

Trouw | Klinisch, maar daardoor bijna blind

Trouw houdt afstand van de emotie: feitelijk, voorzichtig en zonder grote woorden. De krant noteerde als enige dat NRC’s tweede onthulling precies verscheen toen de eerste begon te wankelen. Maar daar bleef het bij. Er volgde geen vraag naar motieven, geen analyse en geen context. De observatie stond er, kaal en onaf, alsof het niet méér betekende dan een toevallige timing.

Trouw is daarmee neutraal op een manier die soms lijkt op wegkijken.

Het Parool | Menselijk, verhalend, maar toch volgend

Het Parool is het meest nabij in toon. De krant laat politici spreken, benoemt voorzichtig de twijfel (“waren het wel zijn woorden?”) en beschrijft hoe Yesilgöz via-via hoorde dat ze “feeks” was genoemd. Ook Parool leunt op de NRC-reconstructie. De vraag naar de herkomst van het lek wordt wel gesteld maar niet doorgetrokken, waardoor de krant het verhaal volgt zoals het wordt aangereikt. Het resultaat is een middenpositie tussen AD’s verhalende stijl en de aarzelende twijfels bij de Volkskrant, maar zonder de kernvraag te stellen: wie stuurt dit?

De gemiste vragen (en waarom dat telt):

Alle kranten, behalve één column, laten drie belangrijke vragen liggen:

Waarom leidt een privé-appje tot een politieke val, terwijl vier jaar openlijke heks-retoriek richting Kaag nooit als breekpunt werd gezien?

Waarom wordt de rol van NRC niet onderzocht, terwijl dezelfde krant zowel de onthullingen brengt als het morele oordeel velt?

En waarom vraagt niemand wie het appje heeft gedeeld, terwijl juist dat lek de politieke uitkomst bepaalde?

Dat die vragen niet worden gesteld zegt veel: redacties volgen elkaar en bedienen vooral hun eigen bubbel. Daarbij vergeten ze de rol die ze eigenlijk horen te vervullen: die van vierde macht, de poortwachter van de democratie.

Kaag, heks en de verdwenen norm

Zet dit naast de behandeling van Sigrid Kaag en het contrast springt in het oog. Jarenlang werd zij openlijk als heks weggezet: Wilders die haar zo noemde op X, een cartoon waarin ze op een bezem langs de Twin Towers vliegt, en herhaalde posts waarin hij haar afschilderde als “de vrouw die ons land afbreekt”. Het was geen grap of losse oprisping, maar een publiek vijandbeeld dat uiteindelijk leidde tot beveiliging.

Toch had die retoriek geen enkele politieke consequentie. Geen informateur viel, geen formatie ontspoorde, geen partijleider stelde dat samenwerken met iemand die een minister “heks” noemt onmogelijk was. De heks-retoriek werd behandeld als folklore, als iets waar je als politicus maar tegen moet kunnen.

Daartegenover staat de affaire-Wijers: één woord in een besloten appgroep leidde tot een politieke executie. Niet omdat “feeks” ernstiger is dan “heks”, maar omdat het woord op het juiste moment bruikbaar werd gemaakt.

Het draait dus niet om het woord zelf, maar om de timing en het doelwit.

De (on)geloofwaardigheid van Yesilgöz

De verontwaardiging over het woord “feeks” klinkt harder wanneer het doelwit zelf als vlekkeloos wordt neergezet. Maar dat beeld klopt niet. Yesilgöz lag als minister van Justitie juist onder vuur vanwege aantoonbaar onjuiste uitspraken over het dossier nareis-op-nareis.

In talkshows, interviews en Kamerdebatten beweerde ze dat het om “duizenden mensen” ging en dat dit de asielinstroom fors vergrootte. De officiële analyse van de IND laat echter iets heel anders zien: over vijf jaar tijd ging het om 880 aanvragen waarvan er 350 zijn ingewilligd – goed voor ongeveer één procent van alle nareiszaken. Het ging dus om tientallen per jaar.

Toch bleef Yesilgöz deze hogere aantallen herhalen. In de Volkskrant zei ze zelfs: “Het gaat over duizenden mensen – hoeveel exact weten we niet.” In het Kamerdebat erover spraken partijen van “fabels”, “misleiding” en “belazeren van Nederland”. Volt en SP dienden een motie van wantrouwen in. Zelfs CDA en NSC erkenden dat haar informatie niet klopte.

Feit blijft: Yesilgöz verspreidde aantoonbaar onjuiste cijfers over een belangrijk dossier, met directe gevolgen voor het debat en de beeldvorming. En toch had dat geen politieke consequenties. Geen crisis, geen formatiestop, geen morele verontwaardiging die dagenlang het nieuws beheerste.

Dat contrasteert scherp met de affaire-Wijers. Een privéwoord leidde tot een politieke executie. Bewezen onwaarheden in een beleidsdossier leidden tot … niets. Wat “onverantwoord gedrag” is, blijkt dus minder af te hangen van de feiten dan van wie het zegt en wanneer het uitkomt.

Waarom dit verhaal stinkt

Het stinkt omdat dezelfde woorden anders worden gewogen afhankelijk van wie ze uitspreekt. De morele maat verschuift met de politieke wind: wat gisteren folklore was, is vandaag een doodzonde. Een privéwoord als “feeks” werd fataal voor een informateur, terwijl “heks” – jarenlang herhaald, publiek en gericht op één persoon – nooit tot politieke gevolgen leidde.

Het stinkt ook omdat het lek uit de eigen D66-kring kwam, maar niemand die vraag wil stellen. Omdat NRC eerst een wankel frame bouwde en dat frame repareerde met een tweede lek zodra de eerste versie begon te wankelen. De krant die onthult, velde ook het morele oordeel – zonder bewijs – en werd zo speler in plaats van scheidsrechter. Andere media volgden braaf, alsof één bron voldoende is om het hele politieke speelveld te bepalen.

Ondertussen bleven aantoonbaar onjuiste cijfers van Yesilgöz zonder gevolgen, terwijl Kaag vier jaar lang kon worden gedehumaniseerd zonder dat iemand een grens trok. Niemand benoemde het motief van het lek, terwijl juist dat lek de uitkomst bepaalde. En de enige vraag die ertoe doet – wie profiteert hiervan? – werd zorgvuldig ontweken.

Wie goed kijkt, ziet geen incident maar een patroon. Een systeem waarin verontwaardiging selectief wordt aangezet, media machtsfactor worden en politieke schade strategisch wordt uitgedeeld.

De affaire-Wijers bewijst één ding: in Den Haag geldt niet wat je zegt, maar wie er belang bij heeft dat je het níet meer kunt zeggen. “Feeks” was geen grens, het was een kans. En de poortwachters van de democratie? Die stonden erbij, keken ernaar en holden daarna enthousiast achter het lek aan als een dronken vriendenteam dat denkt dat het kampioen is. De bubbelbühne tot op het bot ontmaskerd.

Benieuwd waar al die frames, feiten en fabels vandaan kwamen? Klik hier voor de bronnen.

Naschrift

Kort na publicatie van dit artikel stuurde NRC een nieuwsbrief rond waarin de krant toelichtte waarom de berichtgeving over Hans Wijers volgens haar journalistiek gerechtvaardigd was. Die toelichting roept echter meer vragen op dan ze beantwoordt.

NRC schrijft dat “veertien bronnen” bevestigden dat Wijers op verkiezingsavond bepaalde woorden zou hebben gebruikt, maar laat volledig in het midden wie die bronnen zijn, wat zij precies hebben gehoord en of het directe of indirecte getuigen waren. Dat Eric Smit – die letterlijk naast Wijers stond en verklaarde dat híj het woord had uitgesproken – wordt weggezet als iemand die zich “anders herinnert”, maakt vooral duidelijk hoe onduidelijk de kwaliteit van die veertien bronnen is.

De krant stelt ook dat het appje “geverifieerd” was. Wat dat verificatieproces precies inhield blijft onbekend: geen datum, geen context, geen bron, geen technische bevestiging. De lezer moet genoegen nemen met het etiket, niet met het bewijs.

Opmerkelijk is bovendien dat NRC zelf bevestigt dat vragen over het appje aan Wijers werden gesteld op het moment dat hun eerdere reconstructie begon te wankelen. Dat het appje juist dán opdook, in een zeer kleine D66-kring, zegt vooral iets over timing en over hoe lekken en publicaties elkaar kunnen versterken.

Deze nieuwsbrief beantwoordde dus niet de centrale vraag die boven dit dossier blijft hangen: wie bepaalt in Nederland wanneer iets een schandaal is? En minstens zo belangrijk: waarom precies op dat moment?