En andere geruststellende sprookjes over de staat van het onderwijs
Johannes Visser heeft de cijfers gezien, de rapporten gelezen, de grafieken bestudeerd en komt toch tot die conclusie. Dat is knap. Want wie diezelfde cijfers ziet, diezelfde rapporten leest en diezelfde grafieken bestudeert, kan maar tot één conclusie komen. Het gaat wél zo slecht.
Niet even, niet een beetje, maar structureel en al jaren.
Visser hangt zijn verhaal op aan een negativiteitsbias. Alsof dalende leesvaardigheid, dalende rekenresultaten en groeiende ongelijkheid vooral een kwestie van perspectief zijn. Alsof de Inspectie, de OESO, leraren en leerlingen last hebben van een collectieve somberheid. Alsof feiten zich laten wegpraten met een goed verhaal.
Maar feiten zijn koppig. Ze blijven liggen, hoe vaak je ze ook probeert weg te relativeren.
Iedereen die nog één keer met een serieus gezicht over negativiteitsbias begint, zou verplicht eens een weekje moeten meedraaien.
Niet op een gymnasium met lezende leerlingen en ouders met een Museumkaart, maar op basis en kader in een gemiddelde stad, met volle klassen, hoofden vol problemen en een systeem dat zichzelf heeft uitgehold.
Ik heb drie jaar voor de klas gestaan, als zij-instromer. Drie jaar zag ik hoe een systeem dat ooit bedoeld was om kennis over te dragen veranderde in een welzijnsfabriek, waarin alles leuk en inclusief moet zijn en presteren ondergeschikt is geworden aan reflecteren. De totale desinteresse voor alles wat niet op TikTok of Instagram staat werd ondraaglijk. Klassen met meer diagnoses dan leerlingen, vol rugzakjes en verwijzingen. Ellende achter de voordeur waar scholen zich liever niet aan wagen. Leerlingen die geen zin hebben om zelfs maar een hoofdstuk te lezen, coaches die knuffelen en ouders die je er gratis bij krijgt.
Ouders die geen mail openen, geen post lezen, niet op gesprek komen en de telefoon niet opnemen, om vervolgens woedend te zijn als hun kind zakt.
Ouders die elke dag mailen, ontkennen dat hun kind iets verkeerd doet, indoctrinatie roepen zodra je actualiteit behandelt, huiswerk maken voor hun kind en vervolgens een luisterend oor krijgen.
Want de echte ratrace voor scholen is die om de leerling, niet vóór de leerling.
Dat is geen negativiteitsbias. Dat is dagelijkse praktijk. Tenzij je in je wollige bubbel zit.
Onderwijs als welzijnsproject
En dan de scholen zelf. Vroeger had je een mentoruur, nu heb je coaching. Niet af en toe een gesprek, maar een dagelijks ritueel van aai over de bol, dagopeningen, check ins en check outs, reflectieformulieren, ontwikkelgesprekken en elke twee weken een verplicht coachgesprek waarin vooral niet gesproken mag worden over cijfers, niveau, inzet of discipline, maar over gevoel.
Hoe voel je je. Waar loop je tegenaan. Wat heb je nodig.
Nooit de vraag waarom je niet leest, waarom je geen moeite doet en waarom je niet oefent.
Onderwijs is therapie geworden. Waar de leerling klant is, de ouder koning en de recensies op Google leidend. En therapie? Dat is geen onderwijs.
In die wereld is het logisch dat iemand kan schrijven dat het eigenlijk best meevalt. Dat het vooral framing is. Dat de cijfers stabiel zijn. Dat kinderen ook buiten school leren. Misschien in een omgeving vol hoogopgeleide ouders die hun kinderen meenemen naar musea, elke avond voorlezen en aan tafel het nieuws bespreken. Dan zal het allemaal best meevallen, met een vwo advies en een categorale school op fietsafstand.
Dat is de bubbel.
Daarbinnen is onderwijs een welzijnsproject. Inclusief, veilig en leuk. Niemand mag falen, niemand mag afhaken, niemand mag zich dom voelen. Inspanning is verdacht, discipline is autoritair en kennis elitair.
Buiten die bubbel zitten de cijfers. Een derde van de jongeren kan niet goed genoeg lezen om mee te doen in de samenleving. Vmbo en mbo lopen leeg op taal, leraren vallen om en scholen verzuipen in zorg, administratie en schijnoplossingen.
Dat is geen kwestie van beter meten. Dat is een kwestie van beter wegkijken. En precies daar begint de crisis. Niet bij de media en ook niet bij negativiteitsbias, maar bij het idee dat onderwijs vooral leuk moet zijn zodat iedereen mee kan doen.
Dat idee heeft het onderwijs leeggezogen.
Onderwijs is geen gezelligheid. Onderwijs is geen coaching. Onderwijs is geen Instagramvriendelijke ervaring.
Onderwijs is confrontatie met wat je nog niet kunt. En dat mag schuren, bijten en zeer doen. Je mag er zelfs moeite voor moeten doen, als leerling.
De geruststelling ontmanteld
Wie dat niet wil erkennen, kan rustig blijven schrijven dat het eigenlijk best meevalt.
Een paar uitspraken uit het onderwijssprookje van Visser verdienen het om naast de onderzoeken te worden gelegd.
“Slecht nieuws verkoopt beter. Zelfs aan mensen die zeggen liever goed nieuws te lezen.”
Dit is geen journalistieke scherpte, dit is afleiding. Alsof de Inspectie, de sector, de wetenschap en internationale vergelijkingen alleen bestaan om weg te wuiven zodra het over Nederland gaat. Alsof cijfers een gevoel zijn.
Maar je zakt niet van tweede achter Finland naar een plek boven Griekenland omdat leerlingen zich ineens wat minder vrolijk voelden tijdens een toets. De daling is geen gevoel, de achterstand geen framing en de ongelijkheid geen narratief. Ze zijn meetbaar en ze worden groter.
“Er wordt meer onderzoek gedaan.”
De klassieke geruststelling. We zien meer omdat we beter meten. Maar beter meten verklaart geen achteruitgang. Het verklaart geen internationale daling en niet waarom steeds meer jongeren onder het minimale niveau zakken.
“Het ministerie heeft onrealistische verwachtingen.”
Een handige verschuiving. Niet waarom een groeiende groep de basis niet meer haalt, maar waarom de lat zo hoog ligt. Het probleem is dat basale vaardigheden geen vanzelfsprekendheid meer zijn. Een streefniveau heet plotseling een onhaalbare eis, terwijl het vroeger de norm was.
We vragen ons af of we wel genoeg doen voor het welzijn van de leerling, maar niet of we wel genoeg doen voor hun toekomst.
“Leerlingen doen niet altijd hun best als je ze toetst.”
Dat klinkt mild en het is een handig excuus.
Wat is er eigenlijk mis mee om te verwachten dat leerlingen wél hun best doen.
Dat niet alles leuk hoeft te zijn en dat je soms gewoon iets moet doen, ook als je er geen zin in hebt.
We hebben een omgeving gecreëerd waarin inspanning verdacht is, discipline autoritair en kennis elitair. Dan haken niet alleen leerlingen af, dan raak je een hele generatie en daarmee de samenleving kwijt.
Dat is geen negativiteitsbias.
Dat is beleid.
“Kinderen leren taal en rekenen niet alleen op school, maar de hele dag door.”
Precies. Als ze thuis boeken hebben, ouders die voorlezen en een omgeving waar taal en kennis waarde heeft.
Maar wat als school de enige plek is waar dat kan gebeuren en we die plek hebben omgebouwd tot een ruimte waar inzet een vies woord is en elk gesprek over cijfers wordt vermeden.
In die bubbel wonen Wolfje en Sterre, met een categorale school om de hoek, musea in het weekend en een tafel waar elke avond het nieuws wordt besproken.
Voor hen gaat het misschien inderdaad best goed. Voor de rest verdwijnt het laatste vangnet.
“Schoolkinderen kunnen prima lezen en rekenen.”
Dit is geen optimisme maar ontkenning. Wie dit schrijft terwijl alle alarmbellen afgaan, heeft per ongeluk de cijfers van Finland met Nederland verwisseld.
Alsof we ons druk maken om niets.
En een schop na voor de leraren die aan de bel trekken.
En voor de leerlingen, die wél willen maar nu niet meer kunnen.
En voor de ouders die proberen hun kinderen boven water te houden in een systeem dat hen heeft laten vallen.
En nu?
En precies daar begint de ellende. De crisis is reëel. De oplossingen zijn bekend. Wat ontbreekt, is de wil om te handelen. Hoelang blijven we nog toekijken terwijl een hele generatie achterblijft.
Johannes Visser wil lezers aan het denken zetten over onderwijs. Dat is zijn missie. Hij is correspondent Onderwijs en staat zelf voor de klas. En toch schrijft hij dat het eigenlijk best meevalt. Niet omdat hij het niet ziet, maar omdat hij ervoor kiest om het kleiner te maken dan het is.
En zolang we dat normaal blijven vinden, verdient niemand het om te zeggen dat het “wel meevalt”.
Het gaat helemaal niet zo slecht | b r o n n e n
Was dit artikel de moeite waard voor je, dan is een waardering welkom.
Zie het als een digitale cappuccino, waarvoor dank ☕️